Artikel III.3
§1. Om in aanmerking te komen voor de financiering van een hogeschool of universiteit moet een student voldoen aan de volgende criteria:
- 1°inschrijving : studenten komen alleen in aanmerking als ze in het betreffende academiejaar met de instelling een diplomacontract of een creditcontract hebben gesloten en zijn ingeschreven voor :
- a)een of meer bachelor- of masteropleidingen, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;
- b)een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer bachelor- of masteropleidingen;
- c)een schakelprogramma of een voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding;
- d)een of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs, opgenomen in het Hogeronderwijsregister;
- e)een of meer opleidingsonderdelen die behoren tot 1 of meer opleidingen in het hoger beroepsonderwijs;
- 2°nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze voldoen aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 1° tot en met 9°;
- 3°leerkrediet : in een initiële bachelor- en masteropleiding komen studenten alleen in aanmerking als ze een positief leerkrediet hebben.
§2. In afwijking van paragraaf 1, punt 2°, wordt voor de transnationale Universiteit Limburg conform artikel 7 van het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, enkel rekening gehouden met:
- 1°de studenten die de Belgische nationaliteit bezitten;
- 2°de studenten met een andere nationaliteit dan de Belgische of de Nederlandse, die pro rata aangerekend worden aan elk van de verdragsluitende partijen volgens de aantallen studenten die respectievelijk de Nederlandse en de Belgische nationaliteit bezitten.
Voor de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van de betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.
§3. De toepassing van de volgende zinsnede in paragraaf 1, punt 2°, i), “en andere personen dan de personen die ten laste zijn van de nationale kredieten voor ontwikkelingssamenwerking”, wordt opgeschort, vanaf het begrotingsjaar 2013 tot en met het begrotingsjaar 2018.
§4. In paragraaf 4 en 5 wordt verstaan onder
- 1°niet-EER-student: een student die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
- 2°een anderstalige opleiding: een initiële opleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding die als anderstalige opleiding opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel II.170, §2.
Vanaf begrotingsjaar 2027 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, beperkt door een bedrag in mindering te brengen van de werkingsuitkeringen van universiteiten en hogescholen.
Dit bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, 2° tot en met 9°, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten voor het begrotingsjaar t vast te stellen wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, en die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract, voor een initiële bachelor- of masteropleiding, voor een bachelor-na-bacheloropleiding, voor een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding of voor een graduaatsopleiding, waarvoor het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking wordt genomen. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
De instellingen houden de verantwoordingsstukken van de niet-EER-studenten die behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, ter beschikking voor de regeringscommissarissen, die daarop een controle uitvoeren en die het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, daarvan jaarlijks op de hoogte brengen vóór 31 maart van begrotingsjaar t-1.
Om de financiering te berekenen, wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op 31 december in het academiejaar in kwestie.
§5. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten beperkt door een bedrag in mindering te brengen bij de werkingsuitkeringen van de universiteiten en hogescholen.
Het bedrag, vermeld in het eerste lid, bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding voor het begrotingsjaar t vast te stellen, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract voor een initiële anderstalige bachelor- of masteropleiding of een anderstalige bachelor-na-bacheloropleiding. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
Het tweede deel van het bedrag, vermeld in het eerst lid, bestaat uit een compensatie van 10.300.000 euro, als compensatie van de niet EER-studenten in een Nederlandstalige opleiding. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
Instelling
bedrag
Thomas More Mechelen-Antwerpen
€ 206.273,14
Hogeschool West-Vlaanderen
€ 170.171,98
Arteveldehogeschool
€ 293.999,01
Hogeschool Gent
€ 363.514,39
Katholieke Hogeschool Vives Noord
€ 84.638,67
Katholieke Hogeschool Vives Zuid
€ 222.805,98
Odisee
€ 231.221,85
Erasmushogeschool Brussel
€ 159.475,03
UC Leuven
€ 202.708,09
Thomas More Kempen
€ 179.109,89
LUCA School of Arts
€ 125.339,97
Karel de Grote Hogeschool
€ 291.003,59
UC Limburg
€ 116.678,54
Hogeschool PXL
€ 205.177,25
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
€ 323.072,61
Hogere Zeevaartschool
€ 17.810,01
Katholieke Universiteit Leuven
€ 2.623.222,19
Universiteit Hasselt
€ 476.779,18
Universiteit Antwerpen
€ 1.013.584,72
Vrije Universiteit Brussel
€ 804.517,72
Universiteit Gent
€ 2.188.896,20