Programmadecreet bij de aanpassing van de begroting 2020
59 artikels gewijzigd
| 54 | De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst; | 54 | De gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen in twee of meer staten, wordt evenwel geacht zich op dezelfde plaats te bevinden als zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij op geregelde tijden terugkeert naar die plaats. Die laatste voorwaarde vervalt als de betrokkene in een staat verblijft voor een opdracht van een bepaalde duur. Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst; |
| 55 | 6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen; | 55 | 6° euronorm: de maximumdrempel voor de concentratie van bepaalde vervuilende stoffen in de uitlaatgassen van motorvoertuigen, bepaald in opeenvolgende Europese richtlijnen en verordeningen; |
| 56 | 7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaatof tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is; | 56 | 7° wegvoertuigen: de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen zoals die voertuigen zijn omschreven in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en zoals ze worden verstaan in de zin van de laatste zin van punt 2°, voor zover die voertuigen voorzien zijn van of voorzien moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte proefrittenplaat, handelaarsplaat, beroepsplaat, nationale plaat of tijdelijke plaat die geen internationale kentekenplaat is; |
| 57 | 8° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen. | 57 | 8° vennootschap: in afwijking van het eerste lid, 21°, een vennootschap als vermeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen. |
| 58 | In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder : | 58 | In titel 2, hoofdstuk 3, wordt verstaan onder : |
| 1 | De personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, waarvan de motor, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, gedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, zijn onderworpen aan een aanvullende verkeersbelasting van 89,16 euro, 148,68 euro of 208,20 euro, naargelang het belastbaar vermogen niet hoger is dan 7 pk, 8 pk bereikt zonder 13 pk te overschrijden of meer bedraagt dan 13 pk. | 1 | De personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, met inbegrip van de lichte vrachtauto's, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, derde lid, 2°, laatste zin, waarvan de motor, zelfs gedeeltelijk of tijdelijk, gedreven wordt met vloeibaar petroleumgas of andere vloeibare koolwaterstofgassen, zijn onderworpen aan een aanvullende verkeersbelasting van 89,16 euro, 148,68 euro of 208,20 euro, naargelang het belastbaar vermogen niet hoger is dan 7 pk, 8 pk bereikt zonder 13 pk te overschrijden of meer bedraagt dan 13 pk. |
| 2 | De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9° en 11° . | 2 | De aanvullende verkeersbelasting, vermeld in het eerste lid, wordt geregeld volgens de bepalingen die van toepassing zijn op de verkeersbelasting, met uitzondering van de bepalingen van artikel 2.2.4.0.2, § 2, artikel 2.2.4.0.3, artikel 2.2.4.0.5, § 2, artikel 2.2.5.0.2 en artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 9°, 11° en 15°. |
| 3 | Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro. | 3 | Als de belastingplichtige, met toepassing van het eerste en het tweede lid, aanvullende verkeersbelasting verschuldigd is voor een voertuig, mag de belasting voor dat voertuig niet minder bedragen dan 23,16 euro. |
| 16 | 12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven; | 16 | 12° de autovoertuigen die gebruikt worden door een Belgische verblijfhouder en ter beschikking zijn gesteld van hem door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, en die in het buitenland zijn ingeschreven; |
| 17 | 13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing; | 17 | 13° de motorvoertuigen en de samengestelde voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg, die slechts af en toe op de openbare weg in België rijden en die worden gebruikt door natuurlijke personen of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, als het vervoer met die voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing; |
| 18 | 14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit. | 18 | 14° de voertuigen die ingezet worden door vervoerders die gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Regering en die uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen met een handicap of met een ernstig beperkte mobiliteit; |
| 19 | 15° de voertuigen voorzien van een nationale plaat. | ||
| 19 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van : | 20 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 4°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van : |
| 20 | 1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet; | 21 | 1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet; |
| 1 | Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven. | 1 | Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven. |
| 2 | Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen, de lichte vrachtauto's, de lijkwagens, en de alleenrijdende trekkers, als het andere voertuigen zijn dan de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6, van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. | 2 | Dit artikel is niet van toepassing op de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 6. |
| 1 | De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7, artikel 2.3.6.0.2 en 2.3.6.0.3. | 1 | De belasting op de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en de minibussen, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, vierde lid, 1°, die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld in het Vlaamse Gewest, met uitzondering van de voertuigen die worden geacht in het verkeer te zijn gesteld door vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten, wordt berekend op de wijze, vermeld in artikel 2.3.4.1.2 tot en met 2.3.4.1.7 en artikel 2.3.6.0.3. |
| 4 | 3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door : | 4 | 3° de voertuigen die als persoonlijk vervoermiddel gebruikt worden door : |
| 5 | a) de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten; | 5 | a) de militaire of burgerlijke grootoorlogsinvaliden die een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % genieten; |
| 6 | b) de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt. | 6 | b) de personen die volledig blind zijn, volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of van wie de bovenste ledematen geamputeerd zijn, en de personen die aangetast zijn door een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt; |
| 7 | 4° de voertuigen voorzien van een beroepsplaat; | ||
| 8 | 5° de voertuigen voorzien van een nationale plaat. | ||
| 7 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van : | 9 | De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, 3°, is beperkt tot één personenauto per begunstigde en is afhankelijk van de voorlegging aan het bevoegde personeelslid van : |
| 8 | 1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet; | 10 | 1° een getuigschrift, uitgereikt door de overheid die het invaliditeitspensioen heeft toegekend, met de vermelding dat de betrokkene de hoedanigheid van grootoorlogsinvalide heeft en een invaliditeitspensioen van ten minste 60 % geniet; |
| 1 | Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven. | 1 | Op voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof wordt geen belasting geheven. |
| 2 | Dit artikel is alleen van toepassing op wegvoertuigen van natuurlijke personen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten. |
| 1 | Op 1 februari van ieder kalenderjaar wordt een subsidie ten laste van de begroting van het Vlaamse Gewest van 736.000 euro aan Vlabinvest apb overgemaakt. Dit subsidie- bedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2014 jaarlijks minstens aangepast met de indexatieparameters die de Vlaamse Regering hanteert bij de opmaak van de begroting van het Vlaamse Gewest. | 1 | Op 1 februari van ieder kalenderjaar wordt een subsidie ten laste van de begroting van het Vlaamse Gewest van 696.000 euro aan Vlabinvest apb overgemaakt. Dit subsidie- bedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2020 jaarlijks minstens aangepast met de indexatieparameters die de Vlaamse Regering hanteert bij de opmaak van de begroting van het Vlaamse Gewest. |
| 2 | De VMSW vult het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, aan met de winsten die gerealiseerd werden bij de verkoop van onroerende goederen vanuit het Rollend Grondfonds als bepaald door de Vlaamse Regering, aan particulieren in het kader van projecten uitgevoerd door Vlabinvest apb en put daarvoor de nodige middelen uit het vermelde Rollend Grondfonds. Als er verliezen zijn bij de verkoop van onroerende goederen aan particulieren in het kader van projecten uitgevoerd door Vlabinvest apb, vult Vlabinvest apb die aan in het vermelde Rollend Grondfonds. | 2 | De VMSW vult het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, aan met de winsten die gerealiseerd werden bij de verkoop van onroerende goederen vanuit het Rollend Grondfonds als bepaald door de Vlaamse Regering, aan particulieren in het kader van projecten uitgevoerd door Vlabinvest apb en put daarvoor de nodige middelen uit het vermelde Rollend Grondfonds. Als er verliezen zijn bij de verkoop van onroerende goederen aan particulieren in het kader van projecten uitgevoerd door Vlabinvest apb, vult Vlabinvest apb die aan in het vermelde Rollend Grondfonds. |
| 3 | De subsidie, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt door Vlabinvest apb geboekt in het intern financieringsfonds Wonen. | 3 | De subsidie, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt door Vlabinvest apb geboekt in het intern financieringsfonds Wonen. |
| 1 | Uiterlijk op 1 februari van ieder kalenderjaar ontvangt Vlabinvest apb een subsidie ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap van 2.500.000 euro. Dat subsidiebedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2018 jaarlijks minstens aangepast op basis van de indexatieparameters die de Vlaamse Regering hanteert bij de opmaak van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. | 1 | Uiterlijk op 1 februari van ieder kalenderjaar ontvangt Vlabinvest apb een subsidie ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap van 2.350.000 euro. Dat subsidiebedrag wordt met ingang van het begrotingsjaar 2020 jaarlijks minstens aangepast op basis van de indexatieparameters die de Vlaamse Regering hanteert bij de opmaak van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap. |
| 2 | De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt door Vlabinvest apb geboekt in het intern financieringsfonds Zorg. | 2 | De subsidie, vermeld in het eerste lid, wordt door Vlabinvest apb geboekt in het intern financieringsfonds Zorg. |
| 221 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 kan het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, evolueren conform artikel III.6, § 2/1. | 221 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 kan het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, evolueren conform artikel III.6, § 2/1. |
| 222 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. | 222 | Vanaf het begrotingsjaar 2025 wordt het bedrag voor VOWhbo, vermeld in deze paragraaf, geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in paragraaf 9. |
| 223 | § 18. In het begrotingsjaar 2020 wordt het bedrag VOWprof, vermeld in of berekend conform dit artikel, vermeerderd met 4.000.000 euro. | ||
| 215 | 1,00 | 215 | 1,00 |
| 216 | 5° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. | 216 | 5° Vanaf het begrotingsjaar 2014 wordt aan iedere universiteit die met ingang van het academiejaar 2013-2014 academische hogeschoolopleidingen integreert, een bijkomende opstartfinanciering toegekend van 200.000 euro. Dit bedrag wordt jaarlijks afgebouwd met 10% van het initiële bedrag. Het saldo wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 voor 55% toegevoegd aan het variabele onderwijsdeel VOWun2014 en voor 45% aan het variabele onderzoeksdeel VOZun2014. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, §9. |
| 217 | 6° In afwijking van punt 1°, c), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Industriële Wetenschappen en Technologie 1,25. In afwijking van punt 1°, i), bedraagt voor het begrotingsjaar 2020 het puntengewicht voor het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde 1,01. | ||
| 217 | § 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3. | 218 | § 1/1. In het begrotingsjaar 2014 bedraagt het puntengewicht voor de doctoraten in het studiegebied Nautische wetenschappen 3. |
| 218 | Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt: | 219 | Voor de berekening van het variabele onderzoeksdeel, vermeld in artikel III.22, worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 voor de weging van het aantal doctoraatsdiploma's de volgende puntengewichten gebruikt: |
| 1 | In het begrotingsjaar 2020 ontvangen de instellingen die opleidingen binnen het studiegebied Handelswetenschappen en Bedrijfskunde aanbieden een bedrag van 200.000 euro als stimulans voor het versterken van de technologische component van deze opleidingen. | ||
| 2 | De subsidie, vermeld in het eerste lid, geldt als bijdrage in de personeels- en werkingskosten die worden gemaakt in het kader van deze uitbouw. De middelen worden verdeeld over de betrokken instellingen op basis van het aantal gegenereerde financieringspunten in dit studiegebied in de academiejaren 2013-2014 tot en met 2017-2018. |
| 181 | § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 1.000.000 euro voor 60 % toegevoegd aan de enveloppe voor de gesubsidieerde vrije hogescholen en voor 40 % aan de enveloppe van de publiekrechtelijke hogescholen, vermeld in paragraaf 2, 2° , van dit artikel. | 181 | § 9. Vanaf het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 1.000.000 euro voor 60 % toegevoegd aan de enveloppe voor de gesubsidieerde vrije hogescholen en voor 40 % aan de enveloppe van de publiekrechtelijke hogescholen, vermeld in paragraaf 2, 2° , van dit artikel. |
| 182 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, op prijsniveau 2019, wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig paragraaf 5 van dit artikel. | 182 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, op prijsniveau 2019, wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig paragraaf 5 van dit artikel. |
| 183 | § 10. Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt een bedrag van 797.000 euro voor 60% toegevoegd aan de enveloppe voor de gesubsidieerde vrije hogescholen en voor 40% aan de enveloppe van de publiekrechtelijke hogescholen, vermeld in paragraaf 2, 2°, van dit artikel. | ||
| 184 | Het bedrag, vermeld in het eerste lid, op prijsniveau 2020, wordt jaarlijks aangepast overeenkomstig paragraaf 5 van dit artikel. | ||
| 1 | § 1. Naast de werkingsuitkeringen ontvangen de publiekrechtelijke hogescholen vanaf het begrotingsjaar 2014 tot en met het begrotingsjaar 2018 het volgende bedrag voor het eigenaarsonderhoud: | ||
| 2 | 1° Erasmushogeschool Brussel: 173.825 euro; | ||
| 3 | 2° Hogeschool West-Vlaanderen: 104.621 euro; | ||
| 4 | 3° Hogeschool Gent: 347.201 euro; | ||
| 5 | 4° Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen: 202.481 euro; | ||
| 6 | 5° Hogeschool PXL: 52.872 euro. | ||
| 7 | §2. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt met uitzondering van de begrotingsjaren 2014 en 2015 dit bedrag geïndexeerd volgens de gezondheidsindex. | ||
| 8 | §3. Indien een beroep wordt gedaan op de waarborg van de Vlaamse Gemeenschap kan deze zich laten terugbetalen met behulp van de volgende verrichtingen, in de volgorde waarin zij zijn aangegeven: | ||
| 9 | 1° afhouding op de werkingsuitkering verschuldigd aan de hogeschool die in het gebouw is gehuisvest; | ||
| 10 | 2° afhouding op de dotatie toegekend aan andere onderwijsinstellingen die door dezelfde inrichtende macht zijn georganiseerd; | ||
| 11 | 3° invordering door het bestuur van Registratie en Domeinen van het Ministerie van Financiën op het patrimonium van de inrichtende macht. | ||
| 12 | § 4. De bedragen voor het eigenaarsonderhoud, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2015 met 10 % verminderd. |
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 4.584.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. | ||
| 1 | De pedagogische begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks 4.584.000 euro aan aanvullende werkingsmiddelen. Van het voormelde bedrag, wordt voor het schooljaar 2019-2020 en schooljaar 2020-2021 478.000 euro gebruikt voor de begeleiding van leerkrachten bij de remediëring van leerlingen in de klas vanaf de opening van de scholen in het derde trimester van het schooljaar 2019-2020 tot en met 30 juni 2021. | ||
| 2 | De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. | 2 | De werkingsmiddelen, vermeld in het eerste lid, worden verdeeld over deze pedagogische begeleidingsdiensten naar rato van het aantal organieke betrekkingen in de instellingen verbonden aan de pedagogische begeleidingsdienst. |
| 1 | § 1. Binnen de door de Vlaamse Gemeenschap vastgelegde begrotingskredieten wordt jaarlijks in een krediet voorzien voor de uitvoering van de volgende opdrachten : | ||
| 2 | 1° de begeleiding van de centra voor volwassenenonderwijs: | ||
| 3 | a) ondersteunen bij de realisatie van hun eigen agogisch project; | ||
| 4 | b) ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door: | ||
| 5 | 1) netwerkvorming te bevorderen en netwerken te ondersteunen; | ||
| 6 | 2) leidinggevenden te ondersteunen of te vormen; | ||
| 7 | 3) de beroepsbekwaamheid van de personeelsleden te ondersteunen binnen een centrum en centrumoverstijgend met bijzondere aandacht voor beginnende personeelsleden, personeelsleden met specifieke opdrachten; | ||
| 8 | 4) het beleidsvoerend vermogen van centra te versterken; | ||
| 9 | 5) de kwaliteitszorg van centra te ondersteunen; | ||
| 10 | c) op verzoek van het centrumbestuur het centrum ondersteunen en begeleiden bij de uitwerking van de aangegeven actiepunten na een doorlichting; | ||
| 11 | d) onderwijsinnovaties aanreiken, stimuleren en ondersteunen; | ||
| 12 | e) aanbodgerichte nascholingsactiviteiten aanreiken en aansturen met inbegrip van de nascholing van directies; | ||
| 13 | f) met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit; | ||
| 14 | g) participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van centra of hun leerkrachten of begeleiders hebben;"; | ||
| 15 | 2° de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 49 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, samen met het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs. | ||
| 16 | § 1/1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 bedraagt het krediet, vermeld in paragraaf 1, 522.000 euro. | ||
| 17 | § 2. Het krediet dat wordt vastgelegd vanaf 2015, vermeld in paragraaf 1/1, volgt vanaf 2015 de evolutie van de gezondheidsindex. Het wordt ter beschikking gesteld van de afzonderlijke begeleidingsdiensten die beschikken over een personeelsformatie als vermeld in artikel 16 en verdeeld naar rato van de organieke betrekkingen in de centra voor volwassenenonderwijs. | ||
| 18 | In afwijking van het eerste lid, wordt het krediet, vermeld in paragraaf 1/1, voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de index. | ||
| 19 | § 3. Het krediet, vermeld in paragraaf 1, wordt alleen ter beschikking gesteld als : | ||
| 20 | 1° driejaarlijks een beleidsplan wordt opgesteld, waarin de uitvoering van de opdracht, vermeld in paragraaf 1, verduidelijkt wordt en dit beleidsplan toegevoegd wordt aan het begeleidingsplan, vermeld in artikel 15, § 2, eerste lid; | ||
| 21 | 2° jaarlijks een activiteitenverslag en een financieel rapport worden opgesteld en worden toegevoegd aan het activiteitenverslag met inbegrip van een financiële verantwoording, vermeld in artikel 15, § 2, tweede lid. | ||
| 22 | § 4. ... | ||
| 23 | § 5. De middelen, zoals vermeld in § 1 kunnen teruggevorderd worden, als blijkt dat ze niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in § 1 en in artikel 49 van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs. | ||
| 24 | § 6. .... |
| 1 | De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. | 1 | De Vlaamse Regering kan hetzij op eigen initiatief hetzij op voordracht van "het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten experimenteel nieuwe leergebieden voor de basiseducatie of nieuwe studiegebieden voor het secundair volwassenenonderwijs erkennen. |
| 2 | Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 98, § 1. | 2 | Voor een experimenteel nieuw leergebied voor de basiseducatie kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 85, § 2. Voor een experimenteel nieuw studiegebied voor het secundair volwassenenonderwijs kent de Vlaamse Regering een deler toe als vermeld in artikel 98, § 1. |
| 3 | De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. | 3 | De experimenteel erkende leergebieden of studiegebieden worden uiterlijk na vijfjaar door het Vlaams Parlement aan de leergebieden en studiegebieden, vermeld in artikelen 6 of 7, toegevoegd of jaar na jaar opgeheven. De toevoeging of opheffing gebeurt op basis van een advies van de Vlaamse Onderwijsraad en een evaluatie uitgevoerd door een door de Vlaamse Regering samengestelde commissie. |
| 1 | § 1. Op voordracht van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7. | 1 | § 1. Op voordracht van het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten en na advies van de Vlaamse Onderwijsraad bepaalt de Vlaamse Regering de opleidingsprofielen van de opleidingen van de leergebieden, vermeld in artikel 6, en de studiegebieden, vermeld in artikel 7. |
| 2 | Een opleidingsprofiel omvat ten minste : | 2 | Een opleidingsprofiel omvat ten minste : |
| 3 | 1° het minimale aantal lestijden van een opleiding; | 3 | 1° het minimale aantal lestijden van een opleiding; |
| 1 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs heeft als doelstelling enerzijds de Centra voor Basiseducatie en anderzijds de Centra voor Volwassenenonderwijs, die niet in rekening worden gebracht voor het vaststellen van de personeelsformatie van de pedagogische begeleidingsdiensten, als vermeld in artikel 16 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, te ondersteunen bij de uitvoering van de opdrachten die krachtens dit decreet worden toegekend. | 1 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs heeft als doelstelling de centra voor basiseducatie te ondersteunen bij de uitvoering van de opdrachten die krachtens dit decreet worden toegekend. |
| 2 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs realiseert deze doelstelling met respect voor het eigen agogisch project van de betrokken centra. | 2 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs realiseert deze doelstelling met respect voor het eigen agogisch project van de betrokken centra. |
| 1 | Aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs worden volgende opdrachten toegekend: | 1 | Aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs worden volgende opdrachten toegekend: |
| 2 | 1° de begeleiding van de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs: | 2 | 1° de begeleiding van de centra voor basiseducatie: |
| 3 | a) ondersteunen bij de realisatie van hun eigen agogisch project; | 3 | a) ondersteunen bij de realisatie van hun eigen agogisch project; |
| 4 | b) ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door: | 4 | b) ondersteunen bij het bevorderen van hun onderwijskwaliteit en bij hun ontwikkeling tot professionele lerende organisatie door: |
| 13 | f) met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit; | 13 | f) met verscheidene onderwijsactoren op verschillende niveaus overleggen over onderwijskwaliteit; |
| 14 | g) participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van centra of hun leerkrachten of begeleiders hebben; | 14 | g) participeren aan de aansturing of opvolging van ondersteuningsinitiatieven georganiseerd of gesubsidieerd door de Vlaamse Regering die als doelstelling het ondersteunen van centra of hun leerkrachten of begeleiders hebben; |
| 15 | 2° samen met de pedagogische begeleidingsdiensten de opdrachten geformuleerd in artikel 49 uitvoeren. | ||
| 15 | 2° ... | ||
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een subsidie ter beschikking van ten minste 956.000 euro vanaf het begrotingsjaar 2015. Die subsidie omvat middelen voor personeelskosten, werkingskosten en investeringen. | 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een subsidie ter beschikking van ten minste 160.000 euro vanaf het schooljaar 2020-2021. Die subsidie omvat middelen voor personeelskosten, werkingskosten en investeringen. |
| 2 | § 2. ... | 2 | § 2. ... |
| 3 | § 3. De subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs wordt uitbetaald in twee schijven en een saldo : | 3 | § 3. De subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs wordt uitbetaald in twee schijven en een saldo : |
| 5 | 2° een tweede schijf van 45 percent wordt uitbetaald uiterlijk op 30 september; | 5 | 2° een tweede schijf van 45 percent wordt uitbetaald uiterlijk op 30 september; |
| 6 | 3° het saldo van 10 percent wordt uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport, zoals vermeld in artikel 46, 4°, is overgemaakt aan de bevoegde administratie. | 6 | 3° het saldo van 10 percent wordt uitbetaald nadat het activiteitenverslag en financieel rapport, zoals vermeld in artikel 46, 4°, is overgemaakt aan de bevoegde administratie. |
| 7 | § 4. De middelen, zoals bepaald in § 1, kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in artikelen 45 en 49. | 7 | § 4. De middelen, zoals bepaald in § 1, kunnen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdrachten, vermeld in artikel 45. |
| 8 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs heeft zes maanden de tijd om zich opnieuw in orde te stellen met de voorwaarden, vermeld in artikel 46, indien niet meer voldaan wordt aan deze voorwaarden. In het andere geval is het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs niet langer subsidieerbaar. | 8 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs heeft zes maanden de tijd om zich opnieuw in orde te stellen met de voorwaarden, vermeld in artikel 46, indien niet meer voldaan wordt aan deze voorwaarden. In het andere geval is het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs niet langer subsidieerbaar. |
| 9 | § 5. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 9 | § 5. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 11 | § 7. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2013 niet aangepast aan de evolutie van de index. | 11 | § 7. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2013 niet aangepast aan de evolutie van de index. |
| 12 | § 8. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 12 | § 8. In afwijking van paragraaf 5, wordt het werkingsgedeelte van de jaarlijkse subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs voor het begrotingsjaar 2015 niet aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 13 | § 9. Vanaf begrotingsjaar 2020 wordt de subsidie aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs met 6 % verminderd. | ||
| 13 | § 9. ... | ||
| 1 | Het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs en de pedagogische begeleidingsdiensten moeten de subsidie toegekend op basis van respectievelijk artikel 47, § 1, van dit decreet en artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs ook aanwenden voor de gezamenlijke uitvoering van volgende opdrachten. | ||
| 2 | 1° ... | ||
| 3 | 2° ... | ||
| 4 | 3° de ontwikkeling van nieuwe opleidingsprofielen of de actualisering van bestaande opleidingsprofielen voor het volwassenenonderwijs, als vermeld in artikel 24 coördineren, rekening houdende met de bepalingen, vermeld in artikelen 24, 179, § 1, en 184; | ||
| 5 | 4° ... | ||
| 6 | 5° ... | ||
| 7 | 6° de ontwikkeling van instrumenten en procedures in zake de erkenning van al verworven competenties coördineren en ondersteunen; | ||
| 8 | 7° ... | ||
| 9 | 8° ... | ||
| 10 | 8° bis in uitvoering van het Strategisch Plan Hulp- en Dienstverlening aan Gedetineerden, de onderwijscoördinatoren ondersteunen bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis; | ||
| 11 | 8° ter : ...; | ||
| 12 | 9° ... | ||
| 13 | Deze opdrachten worden gerealiseerd met respect voor het eigen agogisch project van de centra. | ||
| 14 | Voor de uitvoering van de opdracht vermeld onder 8°bis, stelt de Vlaamse Regering jaarlijks aan het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs een bijkomende subsidie ter beschikking. Die subsidie omvat middelen voor personeelskosten en werkingskosten. |
| 1 | De middelen, vermeld in artikel 49, kunnen enkel aangewend worden, als het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs enerzijds en de pedagogische begeleidingsdiensten anderzijds driejaarlijks een protocol tot samenwerking over de aanwending van de middelen en de uitvoering van de opdrachten afsluiten en dit protocol meedelen aan de centra en aan de Vlaamse Regering. |
| 1 | Het centrumbestuur informeert het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten die een subsidie ontvangen op basis van artikel 28 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, vermeld in artikel 50, § 1, op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs. | 1 | Het centrumbestuur informeert het Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs, vermeld in artikel 43, en de pedagogische begeleidingsdiensten op regelmatige tijdstippen over de voortgang van het gecombineerd onderwijs. |
| 2 | Uiterlijk twee maanden na het schooljaar n+1/n+2 dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering. Het eindrapport bevat ten minste : | 2 | Uiterlijk twee maanden na het schooljaar n+1/n+2 dient het centrumbestuur een eindrapport in bij de Vlaamse Regering. Het eindrapport bevat ten minste : |
| 3 | 1° een evaluatie; | 3 | 1° een evaluatie; |
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks een globale subsidie van 995.086,73 euro ter beschikking van een organisatie of organisaties voor de volgende opdrachten in uitvoering van het Strategisch Plan Hulp- en Dienstverlening aan Gedetineerden: | ||
| 1 | § 1. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks een globale subsidie van ten minste 800.000 euro ter beschikking van een organisatie of organisaties voor de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden. | 2 | 1° de coördinatie en ondersteuning van de centra voor volwassenenonderwijs en de centra voor basiseducatie bij de uitwerking van een onderwijs- en vormingsbeleid voor gedetineerden, de organisatie van het detecteren van de onderwijs- en vormingsbehoeften van gedetineerden en de begeleiding van het onderwijstraject van gedetineerden; |
| 3 | 2° de ondersteuning van de onderwijscoördinatoren bij enerzijds de uitbouw van een behoeftedekkend en aangepast aanbod voor onderwijs aan gedetineerden en anderzijds de coördinatie van het onderwijsaanbod in de gevangenis. | ||
| 2 | Opdat een organisatie of organisaties hiervoor in aanmerking kan of kunnen komen, beantwoordt of beantwoorden zij ten minste aan volgende gezamenlijke voorwaarden: | 4 | Opdat een organisatie of organisaties hiervoor in aanmerking kan of kunnen komen, beantwoordt of beantwoorden zij ten minste aan volgende gezamenlijke voorwaarden: |
| 3 | 1° de organisatie moet of de organisaties moeten aantonen dat zij in staat zijn om in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs de opdracht, bepaald in het eerste lid, op een efficiënte wijze uit te voeren; | 5 | 1° de organisatie moet of de organisaties moeten aantonen dat zij in staat zijn om in elke penitentiaire inrichting gelegen in de werkingsgebieden van de centra voor basiseducatie en de centra voor volwassenenonderwijs de opdracht, bepaald in het eerste lid, op een efficiënte wijze uit te voeren; |
| 8 | § 2. De subsidie zoals bepaald in paragraaf 1 kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdracht bepaald in paragraaf 1. | 10 | § 2. De subsidie zoals bepaald in paragraaf 1 kan geheel of gedeeltelijk teruggevorderd worden, indien blijkt dat deze middelen niet worden aangewend voor de realisatie van de opdracht bepaald in paragraaf 1. |
| 9 | § 3. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 11 | § 3. De subsidie wordt vanaf het begrotingsjaar 2015 aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 10 | § 4. Vanaf begrotingsjaar 2020 wordt de subsidie met 6 % verminderd. | ||
| 12 | § 4. ... | ||
| 146 | 2° het centrumbestuur van het Centrum voor Volwassenenonderwijs waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs; | 146 | 2° het centrumbestuur van het Centrum voor Volwassenenonderwijs waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 van het decreet Rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs; |
| 147 | 3° de betrekking kan niet worden vacant verklaard. Het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. | 147 | 3° de betrekking kan niet worden vacant verklaard. Het centrumbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking. |
| 148 | § 7. Ter uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, heeft het centrum voor volwassenenonderwijs dat als EVC-centrum erkend is, voor het schooljaar n/n +1 recht op aanvullende leraarsuren per kandidaat waarvan het in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen. | ||
| 149 | Op basis van het aantal lestijden van het opleidingsprofiel, vermeld in artikel 24, dat voor de beroepskwalificatie werd vastgelegd, heeft het centrum recht op: | ||
| 150 | 1° 12 aanvullende leraarsuren per geteste kandidaat voor het ontwikkelen en afnemen van de evaluaties voor een beroepskwalificatie of deelkwalificatie die volgens het opleidingsprofiel minder dan 300 lestijden bedraagt; | ||
| 151 | 2° 18 aanvullende leraarsuren per geteste kandidaat voor het ontwikkelen en afnemen van de evaluaties voor een beroepskwalificatie of deelkwalificatie die volgens het opleidingsprofiel 300 tot en met 799 lestijden bedraagt; | ||
| 152 | 3° 24 aanvullende leraarsuren per geteste kandidaat voor het ontwikkelen en afnemen van de evaluaties voor een beroepskwalificatie of deelkwalificatie die volgens het opleidingsprofiel 800 of meer lestijden bedraagt. | ||
| 153 | Voor de berekening van het aantal aanvullende leraarsuren komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf, zoals bedoeld in artikel 1, 48°. | ||
| 1 | § 1. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor alle studiegebieden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, volgt de evolutie van het totale aantal lesurencursist als volgt : | 1 | § 1. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor alle studiegebieden, met uitzondering van de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4, volgt de evolutie van het totale aantal lesurencursist als volgt : |
| 2 | 1° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 afneemt of toeneemt met minder dan 1 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe of af met het reële groeipercentage; | 2 | 1° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 afneemt of toeneemt met minder dan 0,8 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe of af met het reële groeipercentage; |
| 3 | 2° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 toeneemt met ten minste 1 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe met 1 %. | 3 | 2° als het aantal gewogen financieringspunten voor het schooljaar n/n+1 toeneemt met ten minste 0,8 % ten opzichte van het referentiepunt, vermeld in het tweede lid, neemt het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor het schooljaar n/n+1 toe met 0,8 %. |
| 4 | Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het reële groeipercentage of het begrensde groeipercentage van 1 %. | 4 | Het eerste referentiepunt is gelijk aan het aantal gewogen financieringspunten in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. Bij elke daling of stijging van het aantal gewogen financieringspunten wordt er een nieuw referentiepunt vastgelegd dat gelijk is aan het vorige referentiepunt plus of min het reële groeipercentage of het begrensde groeipercentage van 0,8 %. |
| 5 | De Vlaamse Regering kan omwille van de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar een ander groeipercentage dan vermeld in het eerste en tweede lid vastleggen. | 5 | De Vlaamse Regering kan omwille van de beschikbare middelen in een bepaald begrotingsjaar een ander groeipercentage dan vermeld in het eerste en tweede lid vastleggen. |
| 6 | § 2. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 volgt de evolutie van het totale aantal gewogen financieringspunten met het reële groeipercentage ten opzichte van het vorige referentiepunt. | 6 | § 2. Het totale volume te verdelen leraarsuren en punten voor de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 volgt de evolutie van het totale aantal gewogen financieringspunten met het reële groeipercentage ten opzichte van het vorige referentiepunt. |
| 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. | 29 | Het totale volume aan werkingsmiddelen wordt jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. |
| 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. | 30 | Vanaf het begrotingsjaar 2020 wordt het totale volume aan werkingsmiddelen verminderd met 6 %. |
| 31 | § 5. Een centrum voor volwassenenonderwijs dat in uitvoering van de opdracht, vermeld in artikel 63, § 3, tweede lid, als erkend EVC-centrum in de referteperiode 1 januari n-1 tot en met 31 december n-1 evaluaties voor een EVC-traject heeft afgenomen en daarvoor een financiële bijdrage van minder dan 96 euro heeft ontvangen, heeft recht op een aanvullende werkingstoelage voor het schooljaar n/n +1. | ||
| 32 | De aanvullende werkingstoelage bedraagt: | ||
| 33 | 1° 60 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een beroepskwalificatie heeft betaald; | ||
| 34 | 2° 48 euro per geteste kandidaat die de verminderde financiële bijdrage voor een EVC-traject met het oog op het verwerven van een deelkwalificatie heeft betaald. | ||
| 35 | Voor de berekening van de aanvullende werkingstoelage komen enkel geteste kandidaten in aanmerking die voldaan hebben aan de deeltijdse leerplicht en die het bewijs geleverd hebben te beschikken over de Belgische nationaliteit of te voldoen aan de bepalingen van het wettig verblijf zoals bedoeld in artikel 1, 48°. | ||
| 36 | De bedragen, vermeld in het tweede lid, worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex. De referentiedatum voor de jaarlijkse aanpassing is 1 september 2019. Het bedrag wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal. | ||
| 1 | § 1. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 1 | § 1. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde vte waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 2 | 1° schooljaar 2019-2020 : (vte schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); | 2 | 1° schooljaar 2019-2020 : (vte schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); |
| 3 | 2° schooljaar 2020-2021 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 3 | 2° schooljaar 2020-2021 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,37); |
| 4 | 3° schooljaar 2021-2022 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt); | 4 | 3° schooljaar 2021-2022 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt); |
| 5 | 4° schooljaar 2022-2023 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt). | 5 | 4° schooljaar 2022-2023 : (vte berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 85, § 2, heeft bereikt). |
| 6 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 6 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leraarsuren waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 7 | 1° schooljaar 2019-2020 : (leraarsuren schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | 7 | 1° schooljaar 2019-2020 : (leraarsuren schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); |
| 8 | 2° schooljaar 2020-2021 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 8 | 2° schooljaar 2020-2021 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 waarbij de lesurencursist gerealiseerd in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 vermenigvuldigd worden met factor 2,95 en de lesurencursist gerealiseerd in de overige studiegebieden vermenigvuldigd worden met factor 3,60); |
| 9 | 3° schooljaar 2021-2022 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt); | 9 | 3° schooljaar 2021-2022 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt); |
| 10 | 4° schooljaar 2022-2023 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt). | 10 | 4° schooljaar 2022-2023 : (leraarsuren, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 98, § 2, heeft bereikt). |
| 11 | § 2. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formule : | 11 | § 2. Onverminderd artikel 90 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde punten waarop een centrum voor basiseducatie recht heeft, berekend volgens de volgende formule : |
| 12 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); | 12 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt); |
| 13 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 13 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,37); |
| 14 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt); | 14 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt); |
| 15 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt). | 15 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 87, § 2bis, heeft bereikt). |
| 16 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : | 16 | Onverminderd artikel 107 wordt voor de schooljaren 2019-2020 tot en met 2022-2023 het aantal door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde punten waarop een centrum voor volwassenenonderwijs recht heeft, berekend volgens de volgende formules : |
| 17 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); | 17 | 1° schooljaar 2019-2020 : (punten schooljaar 2018-2019 berekend op basis van de lesurencursist van de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019 waarbij dezelfde berekeningswijze als voor het schooljaar 2018-2019 en een door de Vlaamse Regering bepaalde groeinorm gehanteerd wordt en de lesurencursist gerealiseerd in de specifieke lerarenopleiding en het hoger beroepsonderwijs niet worden meegerekend); |
| 18 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en vermenigvuldigd met 3,33); | 18 | 2° schooljaar 2020-2021 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt waarbij de groei wordt bepaald door de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de referteperiode 1 april 2018 tot en met 31 maart 2019, te vergelijken met de lesurencursist die gerealiseerd zijn in het secundair volwassenenonderwijs tijdens de maanden 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 waarbij de lesurencursist gerealiseerd in de studiegebieden Nederlands tweede taal richtgraad 1 en 2 en Nederlands tweede taal richtgraad 3 en 4 vermenigvuldigd worden met factor 2,95 en de lesurencursist gerealiseerd in de overige studiegebieden vermenigvuldigd worden met factor 3,60); |
| 19 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt); | 19 | 3° schooljaar 2021-2022 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt); |
| 20 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt). | 20 | 4° schooljaar 2022-2023 : (punten, berekend volgens het aandeel aan gewogen financieringspunten dat het centrum in de referteperiode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 volgens de berekeningsformules, vermeld in artikel 105, § 3bis, heeft bereikt). |
| 1 | § 1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt het bedrag van de heffing verminderd met B | 1 | § 1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt het bedrag van de heffing verminderd met B |
| 2 | waarbij: | 2 | waarbij: |
| 3 | B = de som van de bijdrage en de vergoeding, vermeld in de artikelen 4.3.2.1 tot 4.3.2.4, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden. | 3 | B = de som van de bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding, vermeld in artikel 4.3.2.1 en 4.3.2.2, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden. |
| 4 | Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald." | 4 | Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald." |
| 5 | §2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2 en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering. | 5 | §2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2 en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering. |
| 1 | §1. In zoverre dit hoofdstuk en hoofdstuk III van titel V en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken, zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de subsidiaire aanslag, de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek en de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen, mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen, en de in hoofdstuk III van titel V bedoelde geldboeten en heffingsverhogingen. | 1 | §1. In zoverre dit hoofdstuk en hoofdstuk III van titel V en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken, zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de subsidiaire aanslag, de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek en de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen, mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen, en de in hoofdstuk III van titel V bedoelde geldboeten en heffingsverhogingen. |
| 2 | §2. Een bezwaarschrift indienen of een vordering in rechte instellen, verhindert niet dat de aanslag en de eventueel volgens hoofdstuk III van titel V verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd als ze als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden vermeld in artikel 410 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992. | 2 | §2. Een bezwaarschrift indienen of een vordering in rechte instellen, verhindert niet dat de aanslag en de eventueel volgens hoofdstuk III van titel V verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd als ze als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden vermeld in artikel 61 van het Wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. |
| 3 | Onverminderd de toepassing van artikel 414, §2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 schort de indiening van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op. | 3 | Onverminderd de toepassing van artikel 414, §2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 schort de indiening van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op. |
| 4 | §3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd. | 4 | §3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd. |
| 309 | 28.d | 309 | 28.d |
| 310 | 28.e | 310 | 28.e |
| 311 | Land- en tuinbouwbedrijven | ||
| 311 | a) pluimveebedrijven | 312 | a) pluimveebedrijven |
| 312 | b) varkenshouderijen c) rundveebedrijven | 313 | b) varkenshouderijen |
| 314 | c) rundveebedrijven | ||
| 313 | d) veehouderijen niet in sub a, b en c begrepen | 315 | d) veehouderijen niet in sub a, b en c begrepen |
| 314 | e) overige bedrijven | 316 | e) overige bedrijven |
| 1 | Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden. | 1 | Tijdens het schooljaar 2018-2019 en het schooljaar 2019-2020 wordt een pilootproject `lerarenplatform' opgezet om tijdelijk aangestelde personeelsleden werkzekerheid te bieden. Tijdens het schooljaar 2020-2021 wordt het lerarenplatform voor één schooljaar verlengd. |
| 1 | Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 2500 voor alle scholen van het basisonderwijs. Indien niet alle scholen deelnemen wordt dit aantal proportioneel verminderd. De omzetting van voltijds equivalenten naar lestijden gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 23,79. | 1 | Het aantal beschikbare voltijdse equivalenten bedraagt 2500 voor alle scholen van het basisonderwijs. Tijdens het schooljaar 2020-2021 bedraagt het aantal beschikbare voltijdse equivalenten uitzonderlijk 2291 voor alle scholen van het basisonderwijs. Indien niet alle scholen deelnemen wordt dit aantal proportioneel verminderd. De omzetting van voltijds equivalenten naar lestijden gebeurt door het aantal voltijdse equivalenten te vermenigvuldigen met 23,79. |
| 1 | De lestijden voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lestijden kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform. | 1 | De lestijden voor het lerarenplatform worden samengelegd op het niveau van het samenwerkingsplatform. Deze lestijden kunnen niet worden overgedragen naar het volgende schooljaar of naar een ander samenwerkingsplatform. |
| 2 | Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het onderwijzend personeel. | 2 | Het personeelslid in het lerarenplatform krijgt een aanstelling die ten vroegste aanvangt op 1 oktober en uiterlijk eindigt op het einde van het schooljaar. Tijdens het schooljaar 2020-2021 kan deze aanstelling al ten vroegste aanvangen op 1 september. De aanstelling is alleen mogelijk in een wervingsambt van het onderwijzend personeel. |
| 3 | De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen. | 3 | De decreten Rechtspositie zijn van toepassing voor wat betreft de tijdelijke aanstelling, maar de betrekking komt niet in aanmerking voor vacantverklaring en het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren, muteren, reaffecteren of wedertewerkstellen in deze betrekkingen. |
| 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de regering te bepalen datum. | 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 oktober 2018 en houdt op uitwerking te hebben op het einde van het schooljaar 2020-2021. |
| 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de regering te bepalen datum. | 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op 1 juli 2020. |
| 14 | b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018; | 14 | b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018; |
| 15 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. | 15 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. |
| 16 | d) voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020. | ||
| 16 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. | 17 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. |
| 17 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 13.623 lestijden en 12.985 uren voor basisonderwijs en 7.747 lesuren en 2.605 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal over een periode van vijf schooljaren gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. | 18 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 18.974 lestijden en 17.845 uren voor basisonderwijs en 10.761 lesuren en 3614 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. |
| 18 | Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar meegedeeld worden. | 19 | Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar meegedeeld worden. |
| 19 | Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen : | 20 | Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen : |
| 25 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. | 26 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. |
| 26 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften | 27 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften |
| 27 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 172quinquies/1, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de drie schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. | 28 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 172quinquies/1, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2020-2021 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. |
| 28 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. | 29 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. |
| 29 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in paragraaf 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. | 30 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in paragraaf 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. |
| 39 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. | 40 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. |
| 40 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. | 41 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. |
| 41 | § 8. In afwijking van artikel 8 tot en met artikel 15, artikel 16bis tot en met artikel 20, en artikel 22 tot en met artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs geldt voor het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel, het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met 2019-2020een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren. | 42 | § 8. In afwijking van artikel 8 tot en met artikel 15, artikel 16bis tot en met artikel 20, en artikel 22 tot en met artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juni 1997 betreffende de opdracht van het personeel in het basisonderwijs geldt voor het onderwijzend personeel, het paramedisch personeel, het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon basisonderwijs tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met 2020-2021 een hoofdopdracht van 22 lestijden en een schoolopdracht van 26 klokuren. |
| 42 | De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. | 43 | De hoofdopdracht bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van het kind dat de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. |
| 43 | De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht. | 44 | De tijd die nodig is voor professionalisering, overleg en samenwerking, coördinatietaken en dienstverplaatsingen maakt deel uit van de schoolopdracht. |
| 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. | 1 | Deze afdeling treedt in werking op 1 september 2018 en houdt op uitwerking te hebben op 1 juli 2020. |
| 1 | § 1. Voor een school die tot een scholengemeenschap is toegetreden, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar verhoogd onder de volgende voorwaarden: | ||
| 2 | 1° het totale aantal regelmatige leerlingen van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B van de eerste graad van alle scholen van elke onderwijszone waarin de scholengemeenschap in kwestie ligt, stijgt minimaal met een door de Vlaamse Regering enerzijds te bepalen percentage en anderzijds te bepalen absoluut aantal op de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorafgaande schooljaar; | ||
| 3 | 2° het totale aantal regelmatige leerlingen van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B van de eerste graad van alle scholen van de scholengemeenschap in kwestie stijgt minimaal met een door de Vlaamse Regering enerzijds te bepalen percentage en anderzijds te bepalen absoluut aantal op de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorafgaande schooljaar; | ||
| 4 | 3° het totale aantal regelmatige leerlingen van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B van de school in kwestie stijgt minimaal met een door de Vlaamse Regering enerzijds te bepalen percentage en anderzijds te bepalen absoluut aantal op de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorafgaande schooljaar; | ||
| 5 | 4° tijdens het schooljaar waarop de verhoging van het aantal wekelijkse uren-leraar betrekking heeft, mag de school in kwestie geen uren-leraar overdragen naar een andere school of naar het volgend schooljaar; het schoolbestuur mag tijdens het schooljaar waarop de verhoging van het aantal wekelijkse uren-leraar betrekking heeft, geen uren-leraar aan de school in kwestie onttrekken in het kader van een herverdeling van uren-leraar; | ||
| 6 | 5° de stijging van het aantal leerlingen in het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B in de school in kwestie mag niet het gevolg zijn van een fusie of afsplitsing van scholen met eerste graad waarbij zij is betrokken of van een overheveling van de eerste graad tussen scholen waarbij zij is betrokken; | ||
| 7 | 6° de extra uren-leraar mogen door de school in kwestie enkel worden aangewend in het eerste leerjaar A of het eerste leerjaar B en voor zover er zich een stijging van het aantal leerlingen in desbetreffend leerjaar voordoet. | ||
| 8 | § 2. De extra uren-leraar worden op basis van volgende modaliteiten op het niveau van de school in kwestie berekend: | ||
| 9 | 1° het verschil in leerlingenaantal tussen de eerste lesdag van oktober ten opzichte van de eerste lesdag van februari van het voorgaande schooljaar wordt afzonderlijk voor het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B vastgesteld. Als de stijging van het leerlingenaantal in het ene leerjaar gepaard gaat met een geringere daling in het andere leerjaar, dan wordt de `netto' stijging, toegepast op het leerjaar waarin de stijging zich voordoet, voor de berekening in aanmerking genomen; | ||
| 10 | 2° het verschil, als het een stijging betreft, voor het eerste leerjaar A wordt vermenigvuldigd met een leerlingencoëfficiënt die de Vlaamse Regering bepaalt; | ||
| 11 | 3° het verschil, als het een stijging betreft, voor het eerste leerjaar B wordt vermenigvuldigd met een leerlingencoëfficiënt die de Vlaamse Regering bepaalt; | ||
| 12 | 4° de som van de resultaten van de vermenigvuldigingen, vermeld in punt 2° en 3°, geeft de extra uren-leraar voor de school. Als het eindresultaat uitkomt op een cijfer van vijf of meer na de komma, wordt het afgerond naar de hogere eenheid. | ||
| 13 | De uitoefening door de Vlaamse Regering van de bevoegdheden in dit artikel wordt jaarlijks herhaald en de Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met: | ||
| 14 | 1° de grootteorde van de gemiddelde leerlingencoëfficiënt van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B die is vastgesteld in toepassing van artikel 209; | ||
| 15 | 2° de globale leerlingenstromen naar het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B in het onderwijs dat door de Vlaamse Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd wordt, en de daaraan gekoppelde capaciteitsbehoeften; | ||
| 16 | 3° de beschikbare begrotingskredieten. | ||
| 17 | Bij de toepassing van deze bepalingen worden niet in aanmerking genomen: | ||
| 18 | 1° de leerlingen van scholen met opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs; | ||
| 19 | 2° de leerlingen van scholen waarvoor de financiering of subsidiëring wordt berekend op basis van de schoolbevolking op de eerste lesdag van oktober van het lopende schooljaar. | ||
| 20 | § 3. Indien volgens dezelfde voorwaarden zoals bepaald in paragraaf 1, 1° tot en met 3°, het aantal leerlingen daalt, wordt het aantal wekelijkse uren-leraar op basis van dezelfde modaliteiten zoals bepaald in paragraaf 2 verminderd. | ||
| 21 | § 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, kan de Vlaamse Regering nadere voorwaarden bepalen met betrekking tot de toekenning of vermindering van wekelijkse uren-leraar als bedoeld in dit artikel. |
| 15 | b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018; | 15 | b) voor het schooljaar 2018-2019: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2012-2013 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van het schooljaar 2017-2018; |
| 16 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. | 16 | c) voor het schooljaar 2019-2020: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2013-2014 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019. |
| 17 | d) voor het schooljaar 2020-2021: de eerste schooldag van oktober van de schooljaren 2014-2015 tot en met 2016-2017 en de eerste schooldag van februari van de schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020. | ||
| 17 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. | 18 | Voor de middelen, vermeld in paragraaf 1, 2°, gebeurt deze verdeling afzonderlijk voor het basisonderwijs en voor het secundair onderwijs. |
| 18 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 13.623 lestijden en 12.985 uren voor basisonderwijs en 7747 lesuren en 2605 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal over een periode van vijf schooljaren gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. | 19 | Bij haar toewijzing aan de ondersteuningsnetwerken, vermeld in het eerste lid, garandeert de Vlaamse Regering jaarlijks 18.974 lestijden en 17.845 uren voor basisonderwijs en 10.761 lesuren en 3614 uren voor secundair onderwijs. De toepassing hiervan zal gemonitord worden en indien nodig in het schooljaar 2022-2023 bijgestuurd worden. |
| 19 | Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar worden meegedeeld. | 20 | Scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs delen uiterlijk op 30 juni 2017 aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten mee met welke scholen zij op dit moment samenwerken in het kader van gon, ion en waarborg in functie van de ondersteuning van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften, en bij welk ondersteuningsnetwerk ze voor het schooljaar 2017-2018 aansluiten. Daarna moeten wijzigingen aan de samenstelling jaarlijks uiterlijk op 1 maart van het voorafgaande schooljaar worden meegedeeld. |
| 20 | Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen : | 21 | Voor de vorming van de ondersteuningsnetwerken wordt maximaal ingezet op samenwerking met scholen van andere netten. Deze samenwerking kan minimaal volgende vormen aannemen : |
| 26 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. | 27 | De middelen voor coördinatie worden in mindering gebracht van de budgetten die de pedagogische begeleidingsdiensten ontvingen in toepassing van artikel 21/1 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop deze middelen in mindering worden gebracht en de wijze van toekenning van de lestijden, lesuren of uren voor de coördinatie van het ondersteuningsnetwerk. |
| 27 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften | 28 | Middelen voor coördinatie van een ondersteuningsnetwerk van het overleg kleine onderwijsverstrekkers kunnen worden georganiseerd vanuit het begeleidingskorps dat aan de kleine onderwijsverstrekkers werd toegekend in toepassing van artikel VI.1, § 4, van het decreet van 21 maart 2014 betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften |
| 28 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 314/9, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de drie schooljaren 2017-2018, 2018-2019 en 2019-2020bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. | 29 | § 4. Het globale verlies op het niveau van een onderwijsnet ten gevolge van de berekeningswijze, vermeld in paragraaf 3, in vergelijking met de situatie op niveau van een onderwijsnet van waarborg en begeleidingseenheden gon, met uitzondering van de doelgroepen, bedoeld in artikel 314/9, in het schooljaar 2016-2017, wordt gecompenseerd voor een transitieperiode van de schooljaren 2017-2018 tot en met 2020-2021 bij wijze van een garantiefonds, door het aandeel van de scholen en centra van het stijgende onderwijsnet procentueel te verminderen en het aandeel van de scholen en centra van het dalende onderwijsnet procentueel te vermeerderen naar rato van het vastgestelde verlies van het dalende onderwijsnet. |
| 29 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. | 30 | De middelen die het dalende onderwijsnet op die wijze ontvangt, vallen onder de regie van dat onderwijsnet om de verliezen in het buitengewoon onderwijs te compenseren zodat er geen verlies is aan tewerkstelling en ondersteuning die vandaag bestaat. Deze middelen worden tijdens de transitieperiode ingezet voor de verdere ondersteuning van scholen en centra in het gewoon onderwijs van de onderwijsnetten. |
| 30 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in § 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met de volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. | 31 | § 5. Voor ondersteuningsnetwerken die netoverstijgend zijn samengesteld fungeert de gemeenschappelijke vergadering, vermeld in § 9, als commissie. Voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs en het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, wordt telkens een commissie opgericht die in een gelijke vertegenwoordiging is samengesteld uit leden van het GO!-onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de representatieve verenigingen van inrichtende machten en de representatieve groeperingen van personeelsverenigingen aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie. In de schoot van de commissie voor het gesubsidieerd vrij onderwijs kan voor een of meer groepen binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs anders dan het gesubsidieerd vrij katholiek onderwijs, een subcommissie opgericht worden. Bij de toewijzing wordt rekening gehouden met de volgende criteria : er mag geen verlies aan tewerkstelling en bestaande ondersteuning zijn zodat de verschuivingen zo maximaal mogelijk op een natuurlijke manier tot stand komen. |
| 40 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. | 41 | 3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. Het schoolbestuur kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in de betrekking. |
| 41 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. | 42 | § 7. De afspraken die samenwerkende scholen in dit project maken betreffende de inzetbaarheid van de personeelsleden, vallen onder de toepassing van artikel 12quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gemeenschapsonderwijs en artikel 17quater van het decreet Rechtspositie Personeelsleden Gesubsidieerd Onderwijs. |
| 42 | § 8. In afwijking van artikel 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 en 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs en in afwijking van artikel 3, eerste lid, voor wat betreft het prestatiestelsel van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 geldt tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met schooljaar 2019-2020een aangepaste prestatieregeling voor het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon secundair onderwijs. | 43 | § 8. In afwijking van artikel 2, 7, 7bis, 7quater, 9, 11, 13 en 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 maart 2003 betreffende de vastlegging van de prestaties van een ambt in het buitengewoon secundair onderwijs en in afwijking van artikel 3, eerste lid, voor wat betreft het prestatiestelsel van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1994 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het buitengewoon secundair onderwijs van opleidingsvorm 4 geldt tijdens het schooljaar 2017-2018 tot en met schooljaar 2020-2021 een aangepaste prestatieregeling voor het personeelslid dat aangesteld wordt in een betrekking in het buitengewoon secundair onderwijs. |
| 43 | De wekelijkse prestaties in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel, en een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. | 44 | De wekelijkse prestaties in een voltijdse betrekking bedragen 26 klokuren. Binnen die 26 klokuren presteert het personeelslid een opdracht van 22 lesuren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het onderwijzend personeel of in een ambt van het paramedisch personeel, en een opdracht van 22 uren als het personeelslid aangesteld is in een ambt van het medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel. |
| 44 | De opdracht van 22 lesuren of 22 uren, vermeld in het tweede lid, bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van de jongere die de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. | 45 | De opdracht van 22 lesuren of 22 uren, vermeld in het tweede lid, bestaat in de ondersteuning van het onderwijzend personeel en van de jongere die de ondersteuning nodig heeft in het gewoon onderwijs. |
| 4 | 1° voor het eerste en tweede tertiaal een voorschot van 35 % van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt, en voor het derde tertiaal een voorschot van 25 % van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt; | 4 | 1° voor het eerste en tweede tertiaal een voorschot van 35 % van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt, en voor het derde tertiaal een voorschot van 25 % van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt; |
| 5 | 2° een saldo van maximaal 5 % van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt. Het saldo wordt uitbetaald in de loop van het jaar dat volgt op het gesubsidieerde jaar nadat de administratie vaststelt dat de vereniging de in artikel 5 vermelde doelstelling heeft verwezenlijkt en de administratie de financiële afrekening en het jaarverslag van het voorbije gesubsidieerde jaar goedgekeurd heeft. | 5 | 2° een saldo van maximaal 5 % van het subsidiebedrag dat voor dat jaar toegekend wordt. Het saldo wordt uitbetaald in de loop van het jaar dat volgt op het gesubsidieerde jaar nadat de administratie vaststelt dat de vereniging de in artikel 5 vermelde doelstelling heeft verwezenlijkt en de administratie de financiële afrekening en het jaarverslag van het voorbije gesubsidieerde jaar goedgekeurd heeft. |
| 6 | Met de subsidie, vermeld in het eerste lid, kan een reserve worden aangelegd conform het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle ervan, en de controle door het Rekenhof. | 6 | Met de subsidie, vermeld in het eerste lid, kan een reserve worden aangelegd conform artikel 75 en 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. |
| 7 | De Vlaamse Regering sluit, samen met het Koninkrijk der Nederlanden, met de voormelde vereniging een beheersovereenkomst af voor een duur van maximum vijf jaar. Die beheersovereenkomst bevat de concrete uitwerking, op praktisch vlak, van de bij dit hoofdstuk vastgestelde regels, zoals de missie, de invulling van de kerntaken en de strategische en operationele doelstellingen en de modaliteiten voor de werking en de evaluatie. | 7 | De Vlaamse Regering sluit, samen met het Koninkrijk der Nederlanden, met de voormelde vereniging een beheersovereenkomst af voor een duur van maximum vijf jaar. Die beheersovereenkomst bevat de concrete uitwerking, op praktisch vlak, van de bij dit hoofdstuk vastgestelde regels, zoals de missie, de invulling van de kerntaken en de strategische en operationele doelstellingen en de modaliteiten voor de werking en de evaluatie. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure en de termijnen voor de subsidieaanvraag en de behandeling ervan. De subsidieaanvragen worden jaarlijks ingediend. | ||
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de procedure en de termijnen voor de subsidieaanvraag en de behandeling ervan. De subsidieaanvragen worden maximaal twee keer per jaar ingediend. De Vlaamse Regering kan beslissen om een tweede indienmoment te organiseren indien het begrotingskrediet voor de subsidiëring van bovenlokale sportinfrastructuur minstens 10.000.000 euro (10 miljoen euro) bedraagt. In dat geval wordt per indienmoment minstens het minimale begrotingskrediet voor de subsidiëring van bovenlokale sportinfrastructuur van 5.000.000 euro (vijf miljoen euro), vermeld in artikel 3, vierde lid, voorzien. |
| 1 | In dit decreet wordt verstaan onder : | 1 | In dit decreet wordt verstaan onder : |
| 2 | 1° agentschap Sport Vlaanderen : het agentschap dat opgericht is bij het decreet van 7 mei 2004 betreffende het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Sport Vlaanderen"; | 2 | 1° agentschap Sport Vlaanderen : het agentschap dat opgericht is bij het decreet van 7 mei 2004 betreffende het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid "Sport Vlaanderen"; |
| 3 | 2° initiatief in de sportsector : een organisatie in de sportsector die vanaf 1 januari 2003 een loonsubsidie ontvangt voor een werknemer in een arbeidsplaats die aan de organisatie was toegekend in het kader van een project met toepassing van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector; | 3 | 2° initiatief in de sportsector : een organisatie in de sportsector die vanaf 1 januari 2003 tot 1 oktober 2020 een loonsubsidie ontving voor een werknemer in een arbeidsplaats die aan de organisatie was toegekend in het kader van een project met toepassing van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector; |
| 4 | 3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de lichamelijke ontwikkeling, de sport en het openluchtleven; | 4 | 3° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de lichamelijke ontwikkeling, de sport en het openluchtleven; |
| 5 | 4° sportbegeleider : de werknemer met een sportgerelateerde functie. Daaronder worden verstaan : de lesgevers en de begeleiders bij een sportactiviteit, de juryleden en de scheidsrechters; | 5 | 4° sportbegeleider : de werknemer met een sportgerelateerde functie. Daaronder worden verstaan : de lesgevers en de begeleiders bij een sportactiviteit, de juryleden en de scheidsrechters; |
| 6 | 5° sportondersteuner : de werknemer met een administratieve of logistieke functie in de sport; | 6 | 5° sportondersteuner : de werknemer met een administratieve of logistieke functie in de sport; |
| 7 | 6° werknemer in een gewezen DAC-statuut : de werknemer tewerkgesteld in een arbeidsplaats die aan een organisatie was toegekend in het kader van een project met toepassing van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector en waarvoor een loonsubsidie wordt ontvangen als initiatief in de sportsector; | 7 | 6° werknemer in een gewezen DAC-statuut : de werknemer tewerkgesteld in een arbeidsplaats die aan een organisatie was toegekend in het kader van een project met toepassing van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector en waarvoor een subsidie wordt ontvangen als initiatief in de sportsector; |
| 8 | 7° werknemer met verworven rechten : de werknemer in een gewezen DAC-statuut, die al vóór 1 januari 2003 tewerkgesteld was in het kader van een project dat aan een organisatie werd toegekend met toepassing van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector. | 8 | 7° werknemer met verworven rechten : de werknemer in een gewezen DAC-statuut, die al vóór 1 januari 2003 tewerkgesteld was in het kader van een project dat aan een organisatie werd toegekend met toepassing van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector. |
| 3 | 1° in voorkomend geval, vanaf de subsidiëring van de organisatie, vermeld in artikel 7, § 1, met het budget dat werd toegekend aan die organisatie, als initiatief in de sportsector in het jaar dat aan de subsidiëring van de organisatie voorafgaat; | 3 | 1° in voorkomend geval, vanaf de subsidiëring van de organisatie, vermeld in artikel 7, § 1, met het budget dat werd toegekend aan die organisatie, als initiatief in de sportsector in het jaar dat aan de subsidiëring van de organisatie voorafgaat; |
| 4 | 2° in 2014 en vanaf 2015 met de budgetten die respectievelijk vrijkomen in 2014 en vanaf 2015 door de stopzetting van de subsidiëring aan de initiatieven in de sportsector, andere dan de organisatie, vermeld in punt 1°, met toepassing van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2012 houdende beëindiging van de subsidiëring van loonkosten aan bepaalde initiatieven in de sportsector, die werknemers tewerkstellen in een gewezen DAC- statuut; | 4 | 2° in 2014 en vanaf 2015 met de budgetten die respectievelijk vrijkomen in 2014 en vanaf 2015 door de stopzetting van de subsidiëring aan de initiatieven in de sportsector, andere dan de organisatie, vermeld in punt 1°, met toepassing van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2012 houdende beëindiging van de subsidiëring van loonkosten aan bepaalde initiatieven in de sportsector, die werknemers tewerkstellen in een gewezen DAC- statuut; |
| 5 | 3° vanaf de beëindiging van de subsidiëring van de loonkosten van een werknemer met verworven rechten bij zijn uitdiensttreding, pensionering of overlijden, met een bedrag per vte. | 5 | 3° vanaf de beëindiging van de subsidiëring van de loonkosten van een werknemer met verworven rechten bij zijn uitdiensttreding, pensionering of overlijden, uiterlijk op 31 mei 2020 met een bedrag per vte. |
| 6 | Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, bepaalt de Vlaamse Regering een minimaal bedrag per vte. | 6 | Voor de toepassing van het eerste lid, 3°, bepaalt de Vlaamse Regering een minimaal bedrag per vte. |
| 7 | De middelen die met toepassing van het eerste lid, 1°, 2° en 3°, worden toegekend, kunnen uitsluitend worden aangewend voor tewerkstelling. | 7 | De middelen die met toepassing van het eerste lid, 1°, 2° en 3°, worden toegekend, kunnen uitsluitend worden aangewend voor tewerkstelling. |
| 1 | Met behoud van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2012 houdende beëindiging van de subsidiëring van loonkosten aan bepaalde initiatieven in de sportsector, die werknemers tewerkstellen in een gewezen DAC-statuut, ontvangen de initiatieven in de sportsector een loonsubsidie voor de werknemers in een gewezen DAC-statuut. Die subsidie bedraagt maximaal de volledige verplichte loonkosten overeenkomstig het op 1 januari 2003 bepaalde barema. Dat recht op subsidies blijft behouden voor een werknemer met verworven rechten zolang hij in dienst is en tot aan de wettelijke pensioenleeftijd voor zover aan de subsidieregeling voldaan is. | ||
| 2 | In afwijking van het eerste lid wordt in voorkomend geval, tijdens de subsidiëring van de organisatie, vermeld in artikel 7, § 1, de subsidiëring als initiatief in de sportsector stopgezet. | ||
| 1 | De initiatieven in de sportsector ontvangen een subsidie voor de werknemer in een gewezen DAC-statuut tot uiterlijk het einde van de berekende fictieve opzegtermijn van de werknemer in kwestie. Het einde van de fictieve opzegtermijn wordt berekend alsof die werknemer in een gewezen DAC-statuut in opzeg zou worden geplaatst met ingang van 1 oktober 2020, en enkel verlengd met 20 vakantiedagen op jaarbasis. | ||
| 2 | Het recht op subsidies, vermeld in het eerste lid, vervalt als de werknemer in een gewezen DAC-statuut uit dienst treedt. Het initiatief in de sportsector deelt binnen de maand na uitdiensttreding deze wijziging mee aan het agentschap Sport Vlaanderen. |
| 1 | De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, de termijnen en de te volgen procedure voor de subsidiëring als initiatief in de sportsector. | ||
| 2 | De subsidiëring als initiatief in de sportsector wordt verleend, geschorst of ingetrokken onder de voorwaarden, binnen de termijnen en volgens de vorm en de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt. | ||
| 1 | Het subsidiebedrag, vermeld in artikel 19, wordt vastgesteld op basis van het barema en de anciënniteit van de werknemer in een gewezen DAC-statuut, rekening houdend met het gesubsidieerde arbeidsvolume van de werknemer in een gewezen DAC-statuut. Het barema is de weddeschaal van de werknemer op 31 december 2002, zoals die is vastgesteld in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de werknemers tewerkgesteld in het derde arbeidscircuit. | ||
| 2 | Als de werknemer in een gewezen DAC-statuut in opzeg is geplaatst uiterlijk op 31 december 2020 en wettelijk recht heeft op outplacementbegeleiding, wordt het subsidiebedrag verhoogd. Het subsidiebedrag wordt verhoogd met een bedrag dat overeenkomt met het subsidiebedrag voor de maand december 2020. |
| 1 | Het agentschap Sport Vlaanderen kent per kwartaal voorschotten toe die telkens 20% van het subsidiebedrag bedragen. | ||
| 2 | Na goedkeuring door de minister, wordt het verschil tussen de uitbetaalde voorschotten en het subsidiebedrag ofwel als saldo uitbetaald voor 1 augustus van het jaar dat volgt op het jaar waarvoor de subsidie is toegekend, ofwel teruggevorderd. Het saldo voor het werkingsjaar 2020 wordt verhoogd met het bedrag, vermeld in artikel 21, tweede lid. |
| 1 | Het initiatief in de sportsector bezorgt voor het verstrijken van elk kwartaal het bewijs dat de werknemer in een gewezen DAC-statuut nog in dienst is via de loonfiches. Het voorschot voor het volgende kwartaal wordt uitbetaald nadat deze loonfiches zijn bezorgd. |
| 1 | Toerisme Vlaanderen heeft als missie het verhogen van de aantrekkelijkheid van Vlaanderen als bestemming, en het bevorderen van het toerisme, de toeristische recreatie en de vrijetijdsbesteding in het kader van het toerisme. Daartoe zal Toerisme Vlaanderen inzonderheid instaan voor de bevordering van de professionalisering van de toeristische sector en voor de ondersteuning van de ontwikkeling van het toeristisch productaanbod, alsmede voor de coördinatie van deze ondersteuning, de uitbouw en coördinatie van het Vlaams topevenementenbeleid. |
| 25 | e) het opstarten van de virtuele loketfunctie; | 25 | e) het opstarten van de virtuele loketfunctie; |
| 26 | f) de bevordering, de coordinatie en het aanbieden van nieuwe communicatietechnieken aan de toeristische sector en het publiek; | 26 | f) de bevordering, de coordinatie en het aanbieden van nieuwe communicatietechnieken aan de toeristische sector en het publiek; |
| 27 | g) het aangaan van strategische allianties. | 27 | g) het aangaan van strategische allianties; |
| 28 | 5° taken inzake het Vlaams topevenementenbeleid: | ||
| 29 | a) het coördineren en het administratief en inhoudelijk ondersteunen van de cel EventFlanders; | ||
| 30 | b) het participeren in en het voorzitten van het aansturingscomité voor EventFlanders; | ||
| 31 | c) het financieel ondersteunen van Vlaamse topevenementen. | ||
| 28 | § 2. De Vlaamse regering kan nadere regels uitvaardigen betreffende de in artikel 5, § 1, vermelde aangelegenheden. In deze regels kunnen de taken van het agentschap verder worden gepreciseerd en geconcretiseerd. | 32 | § 2. De Vlaamse regering kan nadere regels uitvaardigen betreffende de in artikel 5, § 1, vermelde aangelegenheden. In deze regels kunnen de taken van het agentschap verder worden gepreciseerd en geconcretiseerd. |
| 29 | In geval de uitvoering van de in artikel 5, § 1, vermelde taken gepaard gaat met het verstrekken van subsidies, zekerheidsstellingen, participaties in publiek-private samenwerkingsvormen of andere vormen van tegemoetkoming, onder bezwarende of kosteloze titel, stelt de Vlaamse regering, op basis van dit decreet of desgevallend op basis van een specifiek decreet, terzake de regels en de voorwaarden vast. | 33 | In geval de uitvoering van de in artikel 5, § 1, vermelde taken gepaard gaat met het verstrekken van subsidies, zekerheidsstellingen, participaties in publiek-private samenwerkingsvormen of andere vormen van tegemoetkoming, onder bezwarende of kosteloze titel, stelt de Vlaamse regering, op basis van dit decreet of desgevallend op basis van een specifiek decreet, terzake de regels en de voorwaarden vast. |
| 1 | § 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden, de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en de aanhangsels bij het protocolakkoord van 20 maart 2003 van 11 december 2006 en 2 maart 2009, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, voor de uitvoering van Europese overeenkomsten en voor de uitvoering van het Protocolakkoord van 28 september 2012 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet inzake preventie, met aanhangsel van 18 juni 2012, voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het protocolakkoord van 5 februari 2016 tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de aankoop van vaccins voor vaccinatie van asielzoekers, voor de uitvoering van het avenant van 16 januari 2017 bij de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 december 2017) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid; voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, en voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. | 1 | § 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden, de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en de aanhangsels bij het protocolakkoord van 20 maart 2003 van 11 december 2006 en 2 maart 2009, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, voor de uitvoering van Europese overeenkomsten en voor de uitvoering van het Protocolakkoord van 28 september 2012 tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet inzake preventie, met aanhangsel van 18 juni 2012, voor de uitvoering van de overeenkomst (1 augustus 2015-31 juli 2016) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het protocolakkoord van 5 februari 2016 tussen de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap betreffende de aankoop van vaccins voor vaccinatie van asielzoekers, voor de uitvoering van het avenant van 16 januari 2017 bij de overeenkomst (1 augustus 2015 - 31 december 2017) van 13 oktober 2015 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid, voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid en voor de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid; voor de uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 februari 2007 betreffende de preventie van de veteranenziekte op publiek toegankelijke plaatsen, meer bepaald voor de afhandeling van de kosten verbonden aan het goedkeuringsprotocol alternatieve beheersmaatregelen, voor de uitvoering van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid van 21 november 2003, meer bepaald het principe `vervuiler betaalt' als vermeld in artikel 54, § 3, van het decreet, en voor de uitvoering van de overeenkomst (01/01/2020 - 31/12/2021) tussen het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en het Agentschap Zorg en Gezondheid, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. |
| 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. | ||
| 2 | Het Fonds is een begrotingsfonds zoals vermeld in artikel 15, §2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019. | ||
| 3 | § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1. | 3 | § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1. |
| 4 | § 2/1. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van Europese overeenkomsten worden betaald. | 4 | § 2/1. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van Europese overeenkomsten worden betaald. |
| 14 | § 2/9. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | 14 | § 2/9. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. |
| 15 | § 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | 15 | § 2/10. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. |
| 16 | § 2/11. Het Fonds wordt gespijsd met middelen die in uitvoering van de overeenkomst (01/01/2020 - 31/12/2021) tussen het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en het Agentschap Zorg en Gezondheid worden uitbetaald. | ||
| 16 | § 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid. | 17 | § 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid. |
| 17 | § 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten. | 18 | § 3/1. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Zorg en Gezondheid aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting voor zover deze uitgaven verband houden met de uitvoering van Europese overeenkomsten. |
| 27 | § 3/9. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | 28 | § 3/9. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst (1 juli 2017 - 31 december 2020) van 27 januari 2017 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. |
| 28 | § 3/10. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | 29 | § 3/10. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van het avenant van 19 september 2019 bij de overeenkomst van (1 januari 2018 - 31 december 2021) van 1 oktober 2018 tussen het Comité van de verzekering voor Geneeskundige Verzorging, ingesteld bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, en het Agentschap Zorg en Gezondheid. |
| 30 | § 3/11. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven die gedaan worden door het Agentschap Zorg en Gezondheid aangerekend, voor zover die uitgaven verband houden met de uitvoering van de overeenkomst (01/01/2020 - 31/12/2021) tussen het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV en het Agentschap Zorg en Gezondheid. | ||
| 29 | § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. | 31 | § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. |
| 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen ter uitvoering van artikelen 10, 11 en 22 van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikelen 47 en 48 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, en alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. | 3 | § 3. Het fonds wordt gespijsd door alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen ter uitvoering van artikelen 10, 11 en 22 van het decreet van 16 februari 2001 houdende regeling van de studietoelagen voor het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikelen 47 en 48 van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, en alle ontvangsten die voortvloeien uit terugvorderingen zoals bepaald in artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. |
| 4 | Het fonds wordt eveneens gespijsd door de niet-geïnde studiefinanciering, schooltoelagen of studietoelagen. | 4 | Het fonds wordt eveneens gespijsd door de niet-geïnde studiefinanciering, schooltoelagen of studietoelagen. |
| 5 | § 4. Het fonds wordt aangewend voor: | ||
| 5 | § 4. Het fonds wordt aangewend voor de betaling van school- en studietoelagen aan leerlingen en studentenovereenkomstig het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. | 6 | 1° de betaling van school- en studietoelagen aan leerlingen en studenten, overeenkomstig het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap; |
| 6 | Het fonds wordt eveneens aangewend voor de kosten die voortvloeien uit gedwongen invordering van terugvorderingen ter uitvoering van artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap. | 7 | 2° de kosten die voortvloeien uit de gedwongen invordering van terugvorderingen ter uitvoering van artikel 62 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap; |
| 8 | 3° de betaling van andere uitgaven met betrekking tot de organisatie van de studiefinanciering. | ||
| 7 | 3° de financiële bijdragen m.b.t. de erkenning van de gelijkwaardigheid en de niveaugelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen zoals vermeld in artikel 57ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, in artikel 115/3 van de codex Secundair Onderwijs, in artikelen 74ter en 84ter van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, in artikel 41ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en in artikel II.256 van de Codex Hoger Onderwijs; | 7 | 3° de financiële bijdragen m.b.t. de erkenning van de gelijkwaardigheid en de niveaugelijkwaardigheid van buitenlandse studiebewijzen zoals vermeld in artikel 57ter van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, in artikel 115/3 van de codex Secundair Onderwijs, in artikelen 74ter en 84ter van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap, in artikel 41ter van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs en in artikel II.256 van de Codex Hoger Onderwijs; |
| 8 | 4° de inschrijvingsgelden van de Centrale Examencommissie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 13 februari 2007 betreffende de examens over de ondernemersvaardigheden en het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap; | 8 | 4° de inschrijvingsgelden van de Centrale Examencommissie zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 13 februari 2007 betreffende de examens over de ondernemersvaardigheden en het koninklijk besluit van 21 oktober 1998 tot uitvoering van hoofdstuk I van titel II van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap; |
| 9 | 5° de vergoedingen voor het afleveren van duplicaten van diploma's, certificaten en getuigschriften door de Examencommissie Secundair Onderwijs en NARIC Vlaanderen. | 9 | 5° de vergoedingen voor het afleveren van duplicaten van diploma's, certificaten en getuigschriften door de Examencommissie Secundair Onderwijs en NARIC Vlaanderen; |
| 10 | 6° terugstortingen van uitgaven en diverse ontvangsten gedaan in het kader van de dienstverlening van AHOVOKS. | ||
| 10 | § 4. Het fonds wordt aangewend voor de organisatie van : | 11 | § 4. Het fonds wordt aangewend voor de organisatie van : |
| 11 | 1° het toelatingsexamen Arts en Tandarts; | 12 | 1° het toelatingsexamen Arts en Tandarts; |
| 1 | Deze afdeling is van toepassing op: | ||
| 2 | 1° internaten als vermeld in artikel III.21 en III.35 voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; | ||
| 3 | 2° tehuizen als vermeld in artikel III.1, § 1, eerste lid, III.20 en III.35, § 1, 2°, voor wat betreft hun openstelling op schooldagen; | ||
| 4 | 3° de internaten buitengewoon onderwijs, vermeld in hoofdstuk 4, afdeling 1, onderafdeling 2. | ||
| 5 | Verder in deze afdeling `instellingen' genoemd. |
| 1 | Voor de instellingen wordt een budget van 499.000 euro aan bijkomende werkingsmiddelen voorzien. | ||
| 2 | Deze bijkomende werkingsmiddelen worden verdeeld over de instellingen a rato van het aantal internen die beschikken over een jeugdhulpverleningsbeslissing voor de de typemodule specifieke actie of een vonnis van de jeugdrechtbank. | ||
| 3 | Voor het bepalen van dit aantal internen wordt dezelfde teldag gehanteerd als die voor de berekening van de omkadering van het werkjaar 2019/2020. |
| 1 | Vanaf 2020 kent de Vlaamse Regering aan de Vlaamse gemeenten, OCMW's, autonome gemeentebedrijven, havenbedrijven, hulpverleningszones, politiezones, ziekenhuizen en welzijnsverenigingen een dotatie toe ten belope van de helft van de door hen verschuldigde responsabiliseringsbijdragen, vermeld in artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen. | 1 | Vanaf 2020 kent de Vlaamse Regering aan de Vlaamse gemeenten, OCMW's, autonome gemeentebedrijven, havenbedrijven, hulpverleningszones, politiezones, ziekenhuizen en welzijnsverenigingen een dotatie toe ten belope van de helft van de door hen verschuldigde responsabiliseringsbijdragen, vermeld in artikel 19 van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen. |
| 2 | De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. | 2 | De dotatie houdt geen rekening met de korting die de besturen kunnen krijgen op de responsabiliseringsbijdrage door de verschuldigde premie voor een aanvullende pensioenregeling voor hun contractueel personeel in mindering te brengen. |
| 3 | Voor de percentages van de wettelijke basisbijdrage en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van de percentages waarop de ramingen van de responsabiliseringsbijdragen van de Federale Pensioendienst van mei 2019 gebaseerd zijn. | 3 | Voor de percentages van de wettelijke basisbijdrage en voor de responsabiliseringscoëfficiënt wordt uitgegaan van de percentages waarop de ramingen van de responsabiliseringsbijdragen door de Federale Pensioendienst van mei 2019 gebaseerd zijn. Wijzigingen aan die percentages worden enkel in rekening gebracht als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage van dat bestuur tot gevolg hebben. |
| 4 | Wijzigingen aan de percentages voor de wettelijke basisbijdrage of aan de responsabiliseringscoëfficiënt worden enkel in rekening gebracht als ze een daling van de responsabiliseringsbijdrage van dat bestuur tot gevolg hebben. |
| 1 | Voor het jaar 2020 wordt de dotatie voor elk bestuur vastgesteld op basis van de ramingen van de responsabiliseringsbijdrage van de Federale Pensioendienst van mei 2019. | ||
| 2 | Vanaf 2021 stelt de Vlaamse Regering de dotatie, vermeld in artikel 26, voor elk bestuur vast op basis van de ramingen van de responsabiliseringsbijdragen van de Federale Pensioendienst die op 31 oktober van elk jaar beschikbaar zijn. Dit bedrag wordt gecorrigeerd met het verschil tussen de toegekende dotatie voor het voorgaande jaar en effectieve dotatie waar het bestuur recht op had na het definitief worden van de cijfers. | 1 | Vanaf 2020 stelt de Vlaamse Regering de dotatie, vermeld in artikel 26, voor elk bestuur vast op basis van de meest recente ramingen van de responsabiliseringsbijdragen die de Federale Pensioendienst haar op 30 september van het betrokken begrotingsjaar ter beschikking stelt. Vanaf 2021 wordt die dotatie gecorrigeerd met het verschil tussen de toegekende dotatie voor het voorgaande jaar en de effectieve dotatie waarop het bestuur recht had na het definitief worden van de responsabiliseringsbijdrage. |
| 2 | Als de correctie, vermeld in het eerste lid, leidt tot een negatief bedrag, kan de Vlaamse Regering dat bedrag van het bestuur terugvorderen. |
| 1 | De vastgestelde bedragen worden aan de besturen volledig betaald op de eerste werkdag van de maand december van elk jaar. | 1 | De vastgestelde bedragen worden aan de besturen volledig betaald op de eerste werkdag van de maand december van elk jaar. |
| 2 | Als het begrotingskrediet voor een bepaald jaar ontoereikend is, worden de dotaties aan de besturen pro rata het beschikbare begrotingskrediet betaald op de eerste werkdag van de maand december van dat jaar. Het nog te betalen saldo voor dat jaar wordt toegevoegd aan het begrotingskrediet van het volgende jaar en betaald binnen de twee maanden nadat daarvoor het nodige krediet op de begroting werd ingeschreven. |