Tot wijziging van het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid en het decreet van 28 oktober 2022 tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut, wat betreft de gedeeltelijke omzetting van de Europese richtlijnen met betrekking tot organen voor gelijke behandeling en loontransparantie #748
Gemerged Vlaamse Regering voegde 21 artikels samen in decreet-2008-07-10-1017082decreet-2022-10-28 · 17 maart 2026 Alle checks geslaagd
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks; de aanvaarde amendementen zitten in de volgende tekst van het voorstel. Hieronder de tekst uit de PDF.
Zie de documentenfiche op vlaamsparlement.be
ingediend op 13 mei 2026 (2025-2026)
Amendementen
voorgesteld na indiening van het verslag
op het ontwerp van decreet
tot wijziging van het decreet van 10 juli 2008
houdende een kader
voor het Vlaamse gelijkekansenen gelijkebehandelingsbeleid
en het decreet van 28 oktober 2022
tot oprichting van een Vlaams Mensenrechteninstituut,
wat betreft de gedeeltelijke omzetting
van de Europese richtlijnen
met betrekking tot organen
voor gelijke behandeling en loontransparantie
AMENDEMENT NR. 8
voorgesteld door Immanuel De Reuse, Suzy Wouters,
Freija Van den Driessche, Mercina Claesen,
Stefaan Sintobin en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 9
Dit artikel schrappen.
VERANTWOORDING
Dit amendement strekt ertoe artikel 9 van het ontwerp van decreet te schrappen.
De voorgestelde bepaling voert een verregaande omkering van de bewijslast in bij vermeende beloningsdiscriminatie in arbeidsbetrekkingen. Wanneer een werkgever bepaalde transparantieverplichtingen
niet volledig heeft nageleefd, wordt automatisch vermoed dat er sprake is van discriminatie, tenzij de
werkgever zelf het tegendeel kan bewijzen.
Een dergelijke regeling is problematisch uit het oogpunt van rechtszekerheid, evenredigheid en het
fundamentele rechtsbeginsel dat wie een beschuldiging uit, in beginsel zelf de bewijslast draagt.
De voorgestelde bepaling creëert een systeem waarbij een administratieve tekortkoming of onvolledigheid inzake rapportering aanleiding kan geven tot een bijna automatisch vermoeden van schuld en dus
discriminatie. Daardoor ontstaat het risico dat werkgevers zich permanent juridisch moeten indekken,
uitgebreide documentatie moeten bijhouden en defensieve loonstructuren moeten ontwikkelen om mogelijke procedures te vermijden.
Dat leidt tot een verregaande juridisering van het personeelsbeleid en een aanzienlijke administratieve
belasting voor werkgevers en overheidsdiensten. In de praktijk dreigt vooral een cultuur van wantrouwen te ontstaan waarbij ondernemingen en instellingen niet langer worden beoordeeld op daadwerkelijke discriminatoire handelingen, maar op de mate waarin zij complexe rapporterings- en
transparantieverplichtingen correct administreren.
Bovendien is de voorgestelde uitzondering bijzonder eng geformuleerd. De werkgever moet aantonen
dat de inbreuk “onmiskenbaar onopzettelijk en van geringe aard” was. Die cumulatieve voorwaarden
leggen een bijzonder zware bewijsdrempel op en creëren aanzienlijke interpretatiemarge, wat de
rechtszekerheid niet ten goede komt.
Daarom verdient het de voorkeur de bestaande regels inzake bewijsvoering te behouden en geen bijkomende automatische omkering van de bewijslast in te voeren.
◼
AMENDEMENT NR. 9
voorgesteld door Immanuel De Reuse, Suzy Wouters,
Freija Van den Driessche, Mercina Claesen,
Stefaan Sintobin en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 10
A: In hoofdorde:
Dit artikel schrappen.
B: In bijkomende orde:
In de voorgestelde tekst, eerste lid, de woorden “ambtshalve of” schrappen.
VERANTWOORDING
In hoofdorde:
Dit amendement schrapt de mogelijkheid voor het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) om als amicus
curiae tussen te komen in gerechtelijke procedures. De rechterlijke macht moet onafhankelijk kunnen
functioneren zonder inmenging van instellingen die geen democratische legitimiteit genieten. Hoewel
de tussenkomst formeel adviserend wordt voorgesteld, bestaat het risico dat dergelijke tussenkomsten in
de praktijk een aanzienlijke invloed uitoefenen op de rechtsgang en op de interpretatie van regelgeving.
Uit adviezen blijkt overigens dat het VMRI durft af te wijken van uitspraken van de hoogste gerechtshoven en er een geheel eigen activistische onjuridische benadering van de mensenrechten op nahoudt.
In die context is het niet aangewezen om het instituut bijkomende mogelijkheden te geven om zich
actief in gerechtelijke procedures te mengen.
Het bestaande juridische kader biedt overigens al voldoende waarborgen voor de bescherming tegen
discriminatie. Een bijkomende actor in rechtszaken dreigt bovendien te leiden tot meer juridisering,
langere procedures en bijkomende rechtsonzekerheid.
In bijkomende orde:
Dit amendement is een subsidiair amendement voor het geval het amendement in hoofdorde niet wordt
aanvaard. Dit amendement bepaalt dat het VMRI niet langer op eigen initiatief kan tussenkomen in
gerechtelijke procedures. Indien de mogelijkheid tot het indienen van opmerkingen bij een rechterlijke
instantie behouden blijft, moet die bevoegdheid strikt worden beperkt tot situaties waarin een rechter
daar uitdrukkelijk om verzoekt.
Een ambtshalve tussenkomst creëert immers het risico dat het VMRI zich ontwikkelt tot een activistische
procesactor die strategisch procedures probeert te beïnvloeden. Dat strookt niet met de vereiste van
institutionele neutraliteit en dreigt de perceptie van onafhankelijkheid van de rechtspraak aan te tasten.
Door de tussenkomst uitsluitend mogelijk te maken op verzoek van de rechter, blijft het initiatief bij de
rechterlijke macht zelf en wordt vermeden dat het VMRI zich autonoom in procedures mengt.
◼
AMENDEMENT NR. 10
voorgesteld door Immanuel De Reuse, Suzy Wouters,
Freija Van den Driessche, Mercina Claesen,
Stefaan Sintobin en Chris Janssens
na indiening van het verslag
Artikel 13
A: In hoofdorde:
Dit artikel schrappen.
B: In bijkomende orde:
In de voorgestelde tekst het laatste lid schrappen.
VERANTWOORDING
In hoofdorde:
Dit amendement strekt ertoe de verplichte adviesprocedure van het VMRI bij voorontwerpen van decreet, reglementaire ontwerpen van besluit, beleidsnota’s, procedures en programma’s die verwijzen
naar of betrekking hebben op de rechten of plichten die voortvloeien uit het decreet van 8 mei 2002 en
het decreet van 10 juli 2008 te schrappen.
Het is niet wenselijk dat een niet-verkozen instelling een structurele en verplichte plaats krijgt binnen
de Vlaamse besluitvorming en wetgevingsprocedure. Adviesverlening over ontwerpen van decreet …