§ flandrepo

Tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de plaatsing van een elektronische meter zonder communicatiemiddel en het vermijden van het meermaals aanrekenen van elektriciteitsdistributienettarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet #772

Gemerged Andries GryffroyRobrecht BothuyneWillem-Frederik SchiltzWilfried VandaeleTinne RomboutsInez De Coninck N-VA, cd&v, Open Vld voegde 4 artikels samen in energiedecreet · 5 mei 2021 Alle checks geslaagd
Advies
DR de Raad van State 20 mei 2021 · 9 blz.
772/2 Officiële PDF
Dit stuk wijzigt geen artikels rechtstreeks. Hieronder de tekst uit de PDF.
ingediend op772 (2020-2021) – Nr. 2 20 mei 2021 (2020-2021) verzendcode: LEE Advies van de Raad van State over het voorstel van decreet van Andries Gryffroy, Robrecht Bothuyne, Willem-Frederik Schiltz, Wilfried Vandaele, Tinne Rombouts en Inez De Coninck tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de plaatsing van een elektronische meter zonder communicatiemiddel en het vermijden van het meermaals aanrekenen van elektriciteitsdistributienettarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet Documenten in het dossier: : Voorstel van decreet Vlaams Parlement Vlaams Parlement772 (2020-2021) – Nr. 2 3 RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving advies 69.407/3 van 20 mei 2021 over een voorstel van decreet van het Vlaamse Gewest ‘tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de plaatsing van een elektronische meter zonder communicatiemiddel en het vermijden van het meermaals aanrekenen van elektriciteitsdistributienettarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet’ (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 772/1) ‡LW-CAFVPBICD-GJEAHVT‡ 2/7 advies Raad van State 69.407/3 Op 12 mei 2021 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Voorzitter van het Vlaams Parlement verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen, een advies te verstrekken over een voorstel van decreet van het Vlaamse Gewest ‘tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de plaatsing van een elektronische meter zonder communicatiemiddel en het vermijden van het meermaals aanrekenen van elektriciteitsdistributienettarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet’ (Parl.St. Vl.Parl. 2020-21, nr. 772/1). Het voorstel is door de derde kamer onderzocht op 18 mei 2021. De kamer was samengesteld uit Wilfried VAN VAERENBERGH, kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en Koen MUYLLE, staatsraden, Bruno PEETERS, assessor, en Annemie GOOSSENS, griffier. Het verslag is uitgebracht door Tim CORTHAUT, auditeur. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 20 mei 2021. * ‡LW-CAFVPBICD-GJEAHVT‡ Vlaams Parlement69.407/3 advies Raad van State 3/7 1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling in de adviesaanvraag gemotiveerd als volgt: “Conform artikel 4.1.22/2 van het Energiedecreet e.v. mag de distributienetbeheerder heden nog enkel digitale meters plaatsen. Gelet op het arrest nr. 5/2021 van het Grondwettelijk Hof, dat duidelijk stelde dat elke netgebruiker het recht heeft om een bekabelde versie van de digitale meter te vragen, is het in het belang van de rechtszekerheid en de praktische uitvoerbaarheid evenwel dringend noodzakelijk dat aan de distributienetbeheerders - in afwachting van het beschikbaar worden van die bekabelde versie van de digitale meter (2023) - een technisch en juridisch alternatief wordt geboden voor het plaatsen van de draadloze versie van de digitale meter. Dit alternatief kunnen ze dan tijdelijk implementeren bij personen die nu om een bekabelde versie vragen, en dit totdat de bekabelde versie beschikbaar wordt. De Raad van State heeft in haar advies 68.988/3 in randnummer 12.7.2 opgemerkt dat een decretale aanpassing aan de rechtsgronden uit titel VIII van het Energiedecreet noodzakelijk is met betrekking tot bepaalde voorwaarden die aan het verkrijgen van de retroactieve investeringspremie worden gekoppeld. Aangezien in het belang van de rechtszekerheid en het vertrouwen van de burger deze voorgestelde premie zo snel mogelijk moet worden geoperationaliseerd, en het ontwerpbesluit in kwestie pas doorgang kan vinden na de creatie van deze bijkomende rechtsgrond, is het dan ook dringend noodzakelijk om de voormelde rechtsgronden aan te passen. Er werd vastgesteld dat in bijzondere gevallen bij de afrekening van de terugdraaiende teller er met betrekking tot de periode van hun vorige eindfactuur tot 1 maart 2021 (= datum inwerkingtreding van het arrest nr. 5/2021) prosumenten zijn geweest die op hun factuur een aantal afgenomen kilowattuur zagen verschijnen die bij een normale jaarlijkse afrekening gecompenseerd zouden zijn geweest door geïnjecteerde kilowattuur. Bij een normale jaarlijkse afrekening van de elektriciteitsdistributienettarieven zouden die gecompenseerde kilowattuur niet via de €/kWh-tarieven maar wel via het prosumententarief aangerekend zijn. Door het effect van de tussentijdse afrekening verschijnen die kilowattuur echter als netto-afname (over een onvolledig jaar) op de factuur. Bij een ongewijzigde tariefmethodologie en tarieven zouden die prosumenten onevenredig moeten betalen via de €/kWh-tarieven en ook via het prosumententarief, en dit omdat de vastgestelde tariefmethodologie geen rekening houdt met een abrupte overgang van het ene systeem naar het andere in de loop van een jaar, waardoor een zogenaamd ‘pervers tarifair effect’ werd gecreëerd. Dergelijke netgebruikers worden ineens geconfronteerd met een onverwachte en onvoorzienbare hoge elektriciteitsfactuur. Dit doet de vraag rijzen of het op die wijze heffen van meerdere tarieven voor deze prosumenten wel billijk is, gezien het in strijd lijkt met de principes uit de decretaal vastgestelde tarifaire richtsnoeren die stellen dat de distributienettarieven ‘kostenreflectief’, ‘niet-discriminerend’ en ‘proportioneel’ moeten zijn. De VREG meldde dat ten gevolge van artikel 4.1.30 van het Energiedecreet zij een juridische belemmering ziet waardoor zij sowieso geen aanpassingen op dit punt kan doorvoeren. In het belang van de rechtszekerheid en de praktische uitvoerbaarheid, alsook om de sociaaleconomische consequenties van die abnormaal hoge facturen voor die netgebruikers te kunnen mitigeren, is het van belang dat de door de VREG aangehaalde juridische belemmering uit artikel 4.1.30 van het Energiedecreet in deze bijzondere …
Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd