Artikel 7
§ 1. Een waarborg kan slechts worden verleend voor financieringsovereenkomsten en andere verrichtingen waarin de kredietnemer en de waarborghouder uitdrukkelijk hebben aanvaard dat de uitbetaling van de waarborg door het Vlaamse Gewest niet bevrijdend werkt ten opzichte van de kredietnemer en andere borgen. De waarborghouder verbindt zich ertoe na afroep van de waarborg de schuldvordering verder te innen en de gerecupereerde bedragen ten belope van het in artikel 5, § 3, eerste lid, bedoelde percentage door te storten aan het Vlaamse Gewest.
§ 2. De Vlaamse regering kan, wat bestaande waarborgen betreft, in de in artikel 6, § 3, bedoelde gevallen een afwijking van het bepaalde in § 1 toestaan.
De toekenning van een nieuwe waarborg door de Vlaamse regering kan in dezelfde omstandigheden gebeuren zonder de naleving van de in de § 1 bedoelde verplichting, dan wel met een tijdelijke vrijstelling van die verplichting.