Artikel 2.6
Elke gemeente berekent voor haar grondgebied de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen, met uitzondering van de gronden die voldoen aan een of meer van de bijzondere karakteristieken, vermeld in artikel 5.107, 1°.
De gemeentelijke berekening van de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in het eerste lid, gebeurt uiterlijk op 31 oktober 2026. De resultaten van die berekening gelden tot en met 31 december 2042.
Overeenkomstig haar regiefunctie, vermeld in artikel 2.2, waakt de gemeen-te erover dat de Vlaamse besturen geconcerteerde acties ondernemen opdat de gezamenlijke oppervlakte, vermeld in het eerste lid, aangewend wordt om het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te behalen. De gemeenteraad stelt hiertoe een actieprogramma vast.
Een gemeente die kennelijk onvoldoende inspanningen levert om het bin-dend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, te bereiken als vermeld in artikel 2.23, §3, eerste lid, is ertoe gehouden om ten minste 25 procent van de gezamenlijke oppervlakte van de onbebouwde bouwgronden en kavels die in eigendom zijn van Vlaamse besturen, vermeld in het eerste lid, aan te wenden voor de verwezenlijking van sociale huurwoningen. De gronden die eigendom zijn van Vlabinvest apb worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van dat minimale aandeel.
Aan de verplichting, vermeld in het derde lid, is voldaan als het bindend sociaal objectief, vermeld in artikel 2.27, in een gemeente wordt behaald in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2042.