§ flandrepo
74 regels · van kracht sinds 1 jan 2026

Artikel 289

§ 1. Bij beslissing van het schoolbestuur kan een bestaande school die voldoet aan de rationalisatienorm per 1 september :

  1. 1°een bestaande opleidingsvorm 1 of 2 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm volledig en gelijktijdig wordt opgeheven en dat, op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;
  2. 2°een bestaande opleidingsvorm 3 of 4 die aan de rationalisatienorm voldoet omvormen tot een andere opleidingsvorm, op voorwaarde dat de bestaande opleidingsvorm gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, wordt opgeheven en dat op 1 oktober van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, in de ontstane opleidingsvorm de rationalisatienorm wordt bereikt;
  3. 3°...
  4. 4°de omvormingen, vermeld in punt 1° en 2°, van deze paragraaf moeten doorgevoerd worden in al de vestigingsplaatsen van de school waar deze opleidingsvorm wordt georganiseerd;

Omvormingen van een bestaande opleidingsvorm naar opleidingsvorm 4, zoals voorzien in de punten 1° en 2° van deze paragraaf zijn slechts mogelijk indien een school een samenwerkingsovereenkomst kan voorleggen met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)len van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1. Tijdens de periode van omvorming kunnen in de opleidingsvorm die opgeheven wordt, alleen leerlingen worden ingeschreven in de leerjaren die, gelet op de progressieve opheffing, nog niet zijn opgeheven. Bij opleidingen van opleidingsvorm 3, waarvan de omvorming al van start is gegaan in 2020-2021, geldt ook dat tijdens de periode van omvorming in de opleiding die opgeheven wordt, alleen leerlingen kunnen worden ingeschreven in de leerjaren die, gelet op de progressieve opheffing, nog niet zijn opgeheven.

  1. 5°een opleidingsvorm 1, 2 of 3 oprichten op voorwaarde dat, op de datum bepaald in artikel 271 :
  2. -het vorig schooljaar ten minste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
  3. -250 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277 en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing;

  1. 6°een opleidingsvorm 4 oprichten, op voorwaarde dat op de datum bepaald in artikel 271 :
  2. -het vorig schooljaar tenminste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
  3. -125 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 277, § 5, en 278 voor deze opleidingsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

§ 2. Per provincie of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en per groep en per taalstelsel kan in een bestaande school een opleidingsvorm gefinancierd of gesubsidieerd worden op voorwaarde dat op de datum die in artikel 271 wordt bepaald aan volgende voorwaarden wordt voldaan :

  1. -dit de enige opleidingsvorm is in die provincie per groep en per taalstelstel of maximaal de tweede opleidingsvorm is in het tweetalige gebied Brussel-hoofdstad per groep en per taalstelsel;
  2. -het vorig schooljaar tenminste het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 voor de georganiseerde opleidingsvormen werd bereikt;
  3. -voor elk van de nieuw georganiseerde opleidingsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 277 en 278 bereiken.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van paragraaf 1, 1° en 2°, zijn tijdens de periode van programmatie niet van toepassing voor de opleidingsvormen opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig deze paragraaf.

§ 3. Een bestaande school die opleidingsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan een of meer bijkomende structuuronderdelen inrichten.

Om een programmatieaanvraag in te dienen voor een of meer bijkomende structuuronderdelen in scholen met opleidingsvorm 3, waar type 9 wordt aangeboden, stelt het schoolbestuur een oprichtingsdossier samen. Om een programmatieaanvraag in te dienen voor een of meer bijkomende structuuronderdelen in scholen met opleidingsvorm 3, ongeacht het aanbod van types, waar door de programmatie van een structuuronderdeel een nieuw studiedomein zal worden aangeboden, stelt het schoolbestuur een oprichtingsdossier samen. De voormelde oprichtingsdossiers bevatten al de volgende elementen:

  1. 1°de identificatiegegevens van het schoolbestuur, de school en de vestigingsplaats;
  2. 2°het schooljaar waarop de programmatie betrekking heeft;
  3. 3°de benaming van het structuuronderdeel of structuuronderdelen, bepaald door de Vlaamse Regering, waarop de programmatie betrekking heeft, samen met een grondige motivering waarom zij dit structuuronderdeel of structuuronderdelen wenst te programmeren;
  4. 4°per structuuronderdeel of combinatie van structuuronderdelen een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon secundair onderwijs of één centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met een vergelijkbaar studieaanbod in de buurt uit het beroepssecundair onderwijs;
  5. 5°de volgende bewijsstukken:
  6. a)de samenwerkingsovereenkomst met een of meer scholen voor gewoon secundair onderwijs of centra voor deeltijds beroepssecundair onderwijs met een vergelijkbaar aanbod in het beroepssecundair onderwijs;
  7. b)in voorkomend geval, het protocol van de onderhandeling daarover in het bevoegde lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

De Vlaamse Regering houdt bij haar beslissing rekening met al de volgende criteria:

  1. 1°de eventuele beperkingen of voorwaarden die vanuit macrodoelmatigheid aan het aanbod van het structuuronderdeel zijn gekoppeld;
  2. 2°de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften voor het aanbod van secundair onderwijs in de onderwijszone in kwestie met het oog op vervolgonderwijs of toetreding tot de arbeidsmarkt;
  3. 3°de keuzevrijheid van ouders en leerlingen;
  4. 4°de studiecontinuïteit van leerlingen binnen de scholengemeenschap;
  5. 5°de getroffen voorbereidingen op het vlak van materiële infrastructuur en leermiddelen die voldoende en gepast zijn met het oog op de te verwerven competenties van het geprogrammeerde structuuronderdeel;
  6. 6°de aantoonbare samenwerkingsmogelijkheden met lokale arbeidsmarktactoren en de bedrijfswereld;
  7. 7°de afspraken die met andere lokale onderwijsinrichters, binnen en buiten de scholengemeenschap in kwestie, zijn gemaakt over een rationeel en transparant studieaanbod.

Het schoolbestuur stuurt een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten uiterlijk op 30 november van het schooljaar dat voorafgaat aan de programmatie. Het dossier kan zowel structuuronderdelen van de opleidingsfase, ofwel de kwalificatiefase, ofwel de integratiefase bevatten, als structuuronderdelen van enkele of alle fasen in kwestie samen. De programmatie in de integratiefase en de kwalificatiefase kan verschillen van elkaar. Het schoolbestuur kan er ook voor kiezen om identieke structuuronderdelen in die fasen te programmeren. De programmatie van gemoderniseerde structuuronderdelen kan in de verschillende leerjaren of fasen gelijktijdig dan wel progressief worden doorgevoerd, nadat de modernisering is uitgerold. De voormelde termijn geldt als een vervaltermijn.

Aanvragen die later worden ingediend, zijn onontvankelijk. Een observatiefase is een apart structuuronderdeel, dat in alle scholen met opleidingsvorm 3 wordt aangeboden, waarin met de structuuronderdelen die in de latere fases worden aangeboden kennis gemaakt kan worden, en is vrij programmeerbaar.

Indien de voormelde aanvraag betrekking heeft op de programmatie per 1 september 2021 of 2022 van een niet-gemoderniseerd structuuronderdeel van de kwalificatiefase en de integratiefase, dan moet de aanvraag eveneens de toekomstige concordantie naar het gemoderniseerde structuuronderdeel bevatten om ontvankelijk te zijn. Niet-gemoderniseerde structuuronderdelen zijn niet programmeerbaar in de opleidingsfase en vanaf 1 september 2023 in de kwalificatiefase en de integratiefase.

De Vlaamse Onderwijsraad en het Agentschap voor Onderwijsdiensten brengen binnen een redelijke termijn en uiterlijk twee maanden na de ontvangst van de aanvragen, vakantieperioden niet inbegrepen, een advies uit aan de Vlaamse minister, bevoegd voor onderwijs.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, legt een voorstel van beslissing voor aan de Vlaamse Regering.

Een bijkomende opleiding kan op 1 september in een school alleen worden opgericht na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing uiterlijk op 31 maart van het schooljaar waarin de aanvraag is ingediend. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn.

Het Agentschap voor Onderwijsdiensten deelt de beslissing van de Vlaamse Regering binnen een periode van twee weken schriftelijk mee aan het schoolbestuur.

In afwijking van het tweede tot en met het tiende lid kan:

  1. 1°een school een structuuronderdeel in de integratiefase vrij programmeren als de school hetzelfde structuuronderdeel al in de kwalificatiefase heeft ingericht of goedgekeurd krijgt;
  2. 2°een school een niet­duaal structuuronderdeel in de kwalificatiefase of de integratiefasefase vrij programmeren als de school het gelijknamige duale structuuronderdeel al heeft ingericht of goedgekeurd krijgt;
  3. 3°een school met opleidingsvorm 3, waar geen type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, een of meer bijkomende structuuronderdelen van hetzelfde studiedomein dat ze al aanbiedt, vrij programmeren.

Een vrije programmatie wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap gemeld uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de oprichting. Bij de voormelde melding worden de volgende documenten gevoegd:

  1. 1°het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegde lokaal comité;
  2. 2°als de school tot een scholengemeenschap behoort: een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is

met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

§ 3/1. In aanvulling op artikel 286 moet een schoolbestuur bij de programmatie van een nieuwe school met opleidingsvorm 3 eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe structuuronderdelen in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe structuuronderdelen in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een nieuwe school en niet op bijkomende structuuronderdelen in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.

§ 4. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragraaf 2, moet een schoolbestuur dat één of meer nieuwe opleidingsvormen wil oprichten een oprichtingsdossier indienen.

Dit oprichtingsdossier moet ten minste voldoen aan onderstaande kwaliteitsvoorwaarden:

  1. 1°het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het indienen van het dossier na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het lokaal comité;
  2. 2°het dossier bevat een omgevingsanalyse die de noodzaak, de doelmatigheid en de leefbaarheid van het programmatievoorstel motiveert. Bij de omgevingsanalyse wordt, waar dit voor de betrokken schoolpopulatie relevant is, de link met eventuele aangepaste begeleidingsmogelijkheden, met inbegrip van schoolexterne begeleidingsmogelijkheden voor jongeren met bijkomende zorgbehoeften, expliciet behandeld. Bij een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, met uitzondering van type 5, moet er een samenwerkingsovereenkomst met ten minste één school voor gewoon voltijds secundair onderwijs met een breed studieaanbod in de buurt voorgelegd kunnen worden. Er moet telkens advies voorgelegd worden over deze samenwerkingsovereenkomst tussen één of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs en de school met de nieuwe opleidingsvorm 4. Het advies komt tot stand na overleg binnen de schoolraad en na overleg of na onderhandeling in het bevoegde lokaal comité in een of meerdere scholen van gewoon voltijds secundair onderwijs. Voor de opleiding van de leerlingen in deze opleidingsvorm wordt, na de eventuele programmatie, indien mogelijk en wenselijk, samengewerkt met deze scho(o)l(en) van gewoon voltijds secundair onderwijs, zoals bedoeld in artikel 136/1.

Dit punt is niet van toepassing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2. Voor een programmatievoorstel voor opleidingsvorm 4, onder toepassing van paragraaf 2, is een samenwerkingsovereenkomst, zoals hierboven vermeld, wel verplicht;

  1. 3°de school moet beschikken over de vereiste infrastructurele en materiële voorzieningen op gebied van toegankelijkheid en hulpmiddelen nodig voor de nieuwe opleidingsvorm(en);
  2. 4°de reeds bestaande expertise of de inspanningen rond professionalisering van het team met betrekking tot het nieuwe opleidingsvorm(en) worden in het dossier weergegeven.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de inhoud en de vorm van het oprichtingsdossier en over de wijze waarop de kwaliteitsvoorwaarden worden beoordeeld.

§ 5. De oprichting vanaf 1 september van één of meer nieuwe opleidingsvormen kan pas na een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering.

Het schoolbestuur stuurt daartoe uiterlijk op 30 november van het voorafgaande schooljaar een gemotiveerde aanvraag met het oprichtingsdossier aan AgODi, dat de aanvraag voor administratief-technisch en inhoudelijk advies aan de Vlaamse Onderwijsraad bezorgt. Dit advies wordt niet gevraagd aan de Vlaamse Onderwijsraad indien het pro- grammatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2. De voormelde aanvraagtermijn geldt als vervaltermijn.

In afwijking van het voorgaande lid, kunnen voor de oprichting vanaf 1 september 2015 van type 9 gemotiveerde aanvragen bij AgODi ingediend worden tot uiterlijk 1 juli 2014.

De Vlaamse Regering neemt deze beslissing na advies van de Vlaamse Onderwijsraad over de gegrondheid van de lokale behoefte aan extra aanbod en na advies van AgODi. Het advies van de Vlaamse Onderwijsraad is geen element in deze beslissing indien het programmatievoorstel valt onder toepassing van paragraaf 2.

§ 6. In aanvulling op paragraaf 1, 5° en 6°, en paragrafen 2, 4 en 5, moet een schoolbestuur dat opleidingsvorm 3 wil oprichten eveneens een programmatieaanvraag en een oprichtingsdossier indienen voor de oprichting van een of meer nieuwe structuuronderdelen in opleidingsvorm 3 en een gunstige beslissing van de Vlaamse Regering krijgen om deze te kunnen oprichten. Hierbij moeten de bepalingen van paragraaf 3 toegepast worden op de nieuwe structuuronderdelen in de nieuw op te richten opleidingsvorm 3 in een bestaande school en niet op bijkomende structuuronderdelen in een opleidingsvorm 3 dat aan de rationalisatienorm voldoet in een bestaande school.

§ 7. Structuuronderdelen die in het voltijds gewoon secundair onderwijs vrij programmeerbaar zijn, zijn ook in scholen van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, waar geen type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, vrij programmeerbaar. Structuuronderdelen die in het voltijds gewoon secundair onderwijs programmeerbaar zijn na goedkeuring van de Vlaamse Regering, zijn ook in scholen van het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, waar geen type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, programmeerbaar na goedkeuring van de Vlaamse Regering. Structuuronderdelen in scholen van het buitengewoon secundair onderwijs, waar opleidingsvorm 4, type 9 wordt aangeboden of geprogrammeerd, zijn programmeerbaar na goedkeuring van de Vlaamse Regering. In afwijking van de voormelde bepalingen is:

  1. 1°het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers niet programmeerbaar in het buitengewoon secundair onderwijs;
  2. 2°het programmatieprincipe niet van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4, type 5;
  3. 3°een niet-duaal structuuronderdeel in opleidingsvorm 4 vrij programmeerbaar als de school het gelijknamige duale structuuronderdeel al heeft ingericht of geprogrammeerd, en, omgekeerd, is een duaal structuuronderdeel vrij programmeerbaar als de school het gelijknamige niet-duale structuuronderdeel al heeft ingericht of geprogrammeerd;
  4. 4°artikel 179 niet van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvorm 4.

Een vrije programmatie wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap gemeld uiterlijk bij de oprichting van het structuuronderdeel in kwestie.

Een programmatie waarover de Vlaamse Regering beslist, wordt bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap aangevraagd uiterlijk op 30 november of uiterlijk op 31 maart vóór de oprichting van het structuuronderdeel in kwestie. De voormelde aanvraagtermijn geldt als vervaltermijn. Na advies van de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap beslist de Vlaamse Regering binnen twee maanden na de respectieve uiterste indieningsdatum. De voormelde beslissingstermijn geldt als ordetermijn. De motivering van de voormelde aanvraag en de voormelde beslissing houden rekening met de cumulatieve criteria, vermeld in artikel 178, vierde lid, voor niet-duale structuuronderdelen en voor duale structuuronderdelen.

Bij de melding of aanvraag gaan het protocol van de onderhandeling ter zake in het bevoegd lokaal comité en, als de school tot een scholengemeenschap behoort, een uittreksel van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de programmatie in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd