§ flandrepo
16 regels · van kracht sinds 1 sep 2022

Artikel III.42/2

Voor een hogeschool die in het academiejaar 2019-2020 geen hbo5-opleiding overgenomen heeft van een centrum voor volwassenenonderwijs gelden tot en met het begrotingsjaar 2024 de volgende bepalingen als die instelling nieuwe graduaatsopleidingen aanbiedt :

  1. 1°als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2019-2020 :
  2. a)voor het begrotingsjaar 2021 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2019-2020 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2021, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
  3. b)voor de begrotingsjaren 2022, 2023 en 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), cumulatief vermenigvuldigd met :
  4. i)voor het begrotingsjaar 2022: het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool in kwestie, vermenigvuldigd met 8/12, en met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogescholen, beperkt tot 2% en vermenigvuldigd met 4/12;

ii) voor het begrotingsjaar 2023 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;

iii) voor het begrotingsjaar 2024 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;

  1. 2°als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2020-2021 :
  2. a)voor het begrotingsjaar 2022 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2020-2021 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2022, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
  3. b)voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
  4. c)voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt b), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
  5. 3°als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2021-2022 :
  6. a)voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2021-2022 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2023, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;
  7. b)voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie, beperkt tot 2%;
  8. 4°als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2022-2023, worden voor het begrotingsjaar 2024 de middelen voor die hogeschool berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2022-2023 in de graduaatsopleidingen in de hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2024, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding.

Artikel III.42/1, § 3 en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de middelen die overeenkomstig dit artikel worden gegenereerd.

Bron: Vlaams Parlement en Vlaamse Codex (Modellicentie Gratis Hergebruik) Authentieke tekst: Belgisch Staatsblad Samenvattingen en berekende teksten zijn gegenereerd